Category Archives: Civilologie

Hoe algemeen bekend zijn ‘feiten van algemene bekendheid’ ?

Feiten van algemene bekendheid en ervaringsregels behoeven geen bewijs. De rechter mag ze ambtshalve aan zijn beslissing ten grondslag leggen. Art. 149 lid 2 Rv bepaalt namelijk: “Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.”

Dat is handig voor de rechter: geen bewijslastverdeling, bewijsopdracht of ander gedoe. Op eigen gezag zeggen dat de ‘gewone burger’ ook wel weet hoe het zit en dat er dus geen bewijs nodig is. De rechter legt deze feiten op eigen gezag ten grondslag aan zijn beslissing. Zo heeft de burgerlijke rechter geoordeeld dat het van algemene bekendheid is dat aandelen in waarde kunnen stijgen én dalen, dat lopen door een plas water een verhoogd risico op uitglijden met zich brengt, dat lassen brandgevaar oplevert en dat bij autogarages regelmatig wordt geprobeerd om autosleutels te hengelen uit de brievenbus.

Soms zijn het open deuren. Natuurlijk weet iedereen dat aandelen in waarde kunnen stijgen en dalen, zou je zeggen. Maar soms ligt het er minder dik bovenop. De rechter kan wel zeggen dat iets van algemene bekendheid is, maar is dat ook echt waar? Het is maar de vraag of leken dit soort ‘feiten’ altijd zo ‘algemeen bekend’ vinden als de rechter. Eerder onderzoek onder rechtenstudenten toonde aan dat dit lang niet altijd het geval is. Met een uitgebreider onderzoek dat ik samen met Helen Pluut en Jean-Pierre van der Rest uitvoerde onder een breder publiek van ‘echte’ leken, werden deze uitkomsten in grote lijnen bevestigd.

Het onderzoek werd onlangs gepubliceerd in NTBR 2017/6. Hieronder één voorbeeld uit het artikel, bij wijze van ‘teaser’. Een rechter heeft wel eens geoordeeld dat het van algemene bekendheid is dat in een cash-and-carrybedrijf het nodige zware sjouw- en tilwerk wordt verricht (Rechtbank Haarlem, te kennen uit HR 2001:AB3098, r.ov. 3.3). Klinkt plausibel, behalve dat wij niet direct wisten wat een cash-and-carrybedrijf is. Dus legden we de volgende stelling voor aan een representatieve steekproef van ‘gewone mensen’:

“In een groothandel-supermarkt wordt het nodige zware sjouw- en tilwerk verricht”.

De Hoge Raad liet destijds in het midden of dit werkelijk van algemene bekendheid is. Onze respondenten gaan echter in meerderheid mee met de Rechtbank:

stelling

Het volk heeft gesproken: het is algemeen bekend dat er zwaar getild wordt in de groothandel-supermarkt. Overigens: vrouwen zijn het vaker eens met de stelling dan mannen. Dat zou kunnen duiden op een invloed van geslacht op het oordeel. Juist daarom onderzochten we ook of er invloed was van demografische kenmerken zoals geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, beroep, inkomen, gelovig zijn en politieke voorkeur. De geruststellende uitkomst is dat we (buiten dit geval) vrijwel geen invloeden van dergelijke kenmerken vonden. Dat is geruststellend omdat als feiten van algemene bekendheid werkelijk evident zijn en de juistheid ervan in redelijkheid niet voor betwisting vatbaar is, een oordeel daarover niet afhankelijk zou mogen zijn van (de kenmerken van) de persoon die het oordeel geeft. Overigens vonden we soms wel aanwijzingen dat iemands ‘persoonlijke wereldvisie’, in het bijzonder met betrekking tot ‘autoritarisme’ en ‘economisch liberalisme’, kan samenhangen met het oordeel over het feit van algemene bekendheid. Deze samenhang is niet in alle opzichten eenduidig, zodat nader onderzoek nodig is.

 

NTBR jun 17

 

 

 

 

Eenvoudige tekst, eenvoudige claim?

Er is veel te doen over vereenvoudiging van juridische documentatie, zoals algemene voorwaarden. Met name banken en vooral verzekeraars hebben daar flink de schouders onder gezet. Maar wat is het effect van eenvoudiger juridische taal op de lezer, de consument? Vertaalt eenvoudiger tekstniveau zich inderdaad in ander ‘denken, beslissen en doen’ bij de lezer? Gaan consumenten bij eenvoudiger tekstniveau in algemene voorwaarden anders denken en beslissen? Zouden ze inderdaad een ‘beter gevoel’ over de financiële dienstverlener krijgen en deze daarom anders tegemoet treden in geval van conflict?

Samen met Pieter Desmet en Mark van Dam voerde ik een experiment uit om daarover iets meer te weten te komen. Wij deelden een groep van  ruim 1500 respondenten ‘blind’ op in twee groepen. De ene groep kreeg de ‘moeilijke’ verzekeringsvoorwaarden te lezen, de andere de ‘makkelijke’. En vervolgens vertoonde de verzekeraar in de beide groepen hetzelfde gedrag, namelijk een teleurstellende afwijzing van de claim. Reageren de groepen verschillend? Ja, tot op zekere hoogte wel.

We publiceerden over deze studie onlangs in een tijdschriftartikel: W.H. van Boom, P. Desmet, M.R. van Dam, Eenvoudige tekst, eenvoudige claim? Over de invloed van tekstniveau in algemene verzekeringsvoorwaarden op verwachtingen en gedrag van consumenten, Tijdschrift voor Consumentenrecht en Handelspraktijken 2015/4, p. 200-207.

In deze bijdrage geef ik een korte samenvatting van de opzet en uitkomsten van het experiment. De bovengenoemde tijdschriftpublicatie verkent en rapporteert alle theorie, literatuur en statistieken.

Een ongeluk en een afwijzing

De proefpersonen deden via een internetapplicatie mee aan het (betaalde) experiment. Ze waren in bezit van een rijbewijs, hadden over het algemeen redelijk veel ervaring met deelname aan het verkeer én met het afsluiten van verzekeringen.

De casus die de proefpersonen voorgeschoteld kregen, bestond uit een scenario waarin zij zich moesten voorstellen dat ze op een winterochtend een rotonde naderden met hun auto en dat zij, hoewel zij zich aan de snelheid hielden en vaart minderden, in een slip raakten en een andere auto aanreden. De oorzaak was een stuk opgevroren wegdek. De andere auto was beschadigd en de andere bestuurder had licht letsel.

Vervolgens kregen de proefpersonen de tekst van ‘hun’ autoverzekering voorgeschoteld. De opdracht die zij kregen was om te onderzoeken of naar hun inzicht het schadevoorval gedekt zou worden. Deze vraag moesten de proefpersonen beantwoorden aan de hand van de polisvoorwaarden die zij kregen. Wat zij niet wisten was dat zij gerandomiseerd waren toegewezen aan één van twee testcondities: zij kregen ofwel de ‘moeilijke’ ofwel de ‘makkelijke’ polisvoorwaarden te lezen (voor meer informatie over de wijze van vaststelling van het niveau verwijs ik naar ons artikel).

De teksten die wij voorlegden, waren gebaseerd op een echte autoverzekering. Een verzekeraar had namelijk zijn voorwaarden vernieuwd, niet qua inhoud maar alleen qua taal. Daarom konden we de oude en de nieuwe set voorwaarden gebruiken voor ons experiment. We pasten de volgorde, layout en dergelijke aan, zodat daarin geen verschillen meer zaten. Het ging namelijk niet om het verschil in de boodschap maar om het verschil in taalniveau (de moeilijkheidsgraad van een tekst). Wat we vervolgens dedFileStacken – en dat is ongebruikelijk bij dit soort studies – is de hele set voorwaarden voorleggen aan de proefpersonen. Zodoende moesten zij zelf hun weg zien te vinden door de tekst. De gedachte hierachter was dat we daarmee de meest waarheidsgetrouwe testwijze hanteerden. En dat de proefpersonen al lezend en zoekend ‘ondergedompeld’ werden in het bad van de moeilijke vs. makkelijke zinnen.

De proefpersonen werd vervolgens gevraagd om aan te geven hoe moeilijk zij de gelezen voorwaarden vonden. Daarna werden hun verwachtingen gepeild door hun te vragen welk deel van de schade aan de andere auto vergoed zou worden (niets, minder dan de helft, de helft, meer dan de helft, alles).

Om vervolgens hun conflictreacties te meten, werd proefpersonen daarna verteld dat hun verzekeringsmaatschappij een weigeringsbrief aan hen stuurde, waarin de verzekeraar zich op het standpunt stelde dat het ongeluk te wijten was aan het eigen ‘roekeloos rijgedrag’ en dat de proefpersoon dus zelf diende op te draaien voor de schade. De beide versies van de verzekeringspolis hanteerden een uitsluiting voor ‘roekeloos rijden’, maar de polissen definieerden niet wat daaronder viel te verstaan. Daarmee zijn de polisvoorwaarden minst genomen ambigue: ze geven in elk geval geen rechtstreeks antwoord op de vraag of deze situatie roekeloosheid oplevert. Deze keuze voor ambiguïteit was doelbewust: het ging ons er immersloupe om te meten wat het effect van het niveau van de tekst op het vertrouwen van de lezer was, niet op het beter begrip van de tekst. De proefpersonen werden daarna bevraagd op de mate waarin zij zich konden vinden in de afwijzende houding van de verzekeraar en de mate van bereidheid om een conflict aan te gaan met de verzekeraar.

Resultaten

Het bleek dat de proefpersonen die de moeilijke versie kregen, deze ook significant moeilijker vonden dan de andere groep, die de makkelijke versie hadden gekregen. Het verschil was consistent maar subtiel.

De proefpersonen werd vervolgens gevraagd naar hun claimverwachting (welk deel van de schade aan de andere auto vergoed zal worden; niets, minder dan de helft, de helft, meer dan de helft, alles). Het bleek dat het vereenvoudigen van tekstniveau in algemene voorwaarden een positieve invloed heeft op de claimverwachting van de wederpartij. Proefpersonen die de makkelijke versie hadden gekregen, verwachten ook dat een groter gedeelte vergoed zou worden. Ook hier was het verschil subtiel.

De conflictbereidheid werd getrapt getest. We brachten drie stadia van ‘conflictbereidheid’ in kaart: (1) bereidheid om verdere informatie zoeken, (2) bereidheid om een klacht in te dienen en (3) bereidheid om juridisch te procederen. Consistent met onze verwachting zagen we dat dat conflictbereidheid positief geassocieerd was met claimverwachting: hoe hoger de claimverwachting, hoe meer bereid men was om informatie in te winnen na de afwijzende houding van de verzekeraar, hoe groter de bereidheid om een klacht in te dienen en hoe groter de bereidheid om te ptreatmentrocederen. Ook zagen we hogere claimverwachting geassocieerd met een grotere conflictbereidheid in het geval de claimverwachting teleurgesteld werd. Daarmee toont onze studie een indirect effect aan van tekstniveau op conflictbereidheid. Een rechtstreeks effect van het vereenvoudigen van tekstniveau op grotere conflictbereidheid vonden wij echter niet.

Implicaties

Wat kunnen we leren uit deze resultaten? Vertaalt eenvoudiger tekstniveau zich inderdaad in ander ‘denken, beslissen en doen’ bij de lezer? Gaan consumenten bij eenvoudiger tekstniveau in algemene voorwaarden anders denken en beslissen? Zouden ze inderdaad een ‘beter gevoel’ over de financiële dienstverlener krijgen en deze daarom anders tegemoet treden in geval van conflict?

We vonden dat de claimverwachting groter was bij eenvoudiger tekstniveau en dat een hogere claimverwachting ook geassocieerd is met een hogere conflictbereidheid. Eenvoudiger tekst doet dus zeker ‘iets’ met verwachtingen van de lezer maar ook onrechtstreeks met de conflictbereidheid. Dat is ongetwijfeld koren op de molen van zowel voor- als tegenstanders van jip-en-janneke taal in contracten met consumenten en van hen die ‘klantbelang’ centraal willen stellen in wet- en regelgeving. Maar we vonden geen rechtstreeks verband tussen tekstniveau en conflictgedrag. En de verschillen tussen beide groepen waren er wel, maar ze waren niet enorm groot. Dat zal te maken hebben met de tamelijk subtiele verschillen in tekstniveau bij de ‘moeilijke’ en ‘makkelijke’ versie. Zoveel leesbaarder worden ze niet, die voorwaarden…

Door meten tot weten – Over rechtswetenschap als kruispunt

Op 22 mei 2015 sprak ik mijn Leidse oratie uit: ‘Door meten tot weten’ – over rechtswetenschap als kruispunt. Ik vond het een bijzonder leuke dag, natuurlijk in de eerste plaats vanwege de aanwezigheid van en het weerzien met veel collega’s, vrienden en familie. Maar ook omdat ik in mijn oratie een aantal ideeën over de (privaat)rechtswetenschap mocht delen met het publiek. Inmiddels is de gedrukte versie van de oratie uitgebracht. Ik vat hier de hoofdlijnen van het betoog samen.

van boom oratie 2015

Van meting naar uitdaging

De titel ‘Door meten tot weten’ verwijst naar de lijfspreuk van natuurkundige Heike Kamerlingh Onnes. Zijn borstbeeld met lijfspreuk staat voor het Kamerlingh Onnes gebouw, waar inmiddels de Leidse rechtenfaculteit gevestigd. Hoe verhoudt die lijfspreuk ‘door meten tot weten’ zich tot het werk dat wordt verricht op rechtenfaculteiten? Die vraag is niet eenvoudig want het is geen evidentie dat een rechtenfaculteit zich afficheert als bolwerk van exactheid. Juristen houden zich immers vooral bezig met taal, tekst, systematisering, logische argumentatie, overtuiging en een betere wereld. Zij postuleren normen, debiteren tegeltjeswijsheden, argumenteren met verwijzing naar rechtssysteem, wet, rechtspraak, literatuur; maar zelden zie je ze meten of verwijzen naar systematische waarneming. Dus wat gebeurt er als we op rechtenfaculteiten gaan meten? In mijn oratie stel ik vast dat rechtenfaculteiten ‘kruispunten’ van verschillende wetenschapsopvattingen zijn. Dat gegeven heeft consequenties waar rechtswetenschappers antwoorden op moeten formuleren. Ik belicht een aantal van de uitdagingen die rechtswetenschappers – en dus ook privaatrechtswetenschappers – daarbij te wachten staan.

Rechtenfaculteiten als kruispunt van wetenschapsopvattingen

Rechtswetenschap is wetenschap omdat zij meer wil dan weetjes genereren: ze streeft plaatsing, duiding, categorisering, vergelijking, verklaring, voorspelling en richting na. Maar over de vraag wat zinvolle kennis is en hoe die nagestreefd moet worden, bestaan onder rechtswetenschappers – in mijn definitie dus al het wetenschappelijk personeel op onze rechtenfaculteiten – heel uiteenlopende ideeën. Soms zijn die ideeën rudimentair, intuïtief, impliciet. Maar soms ook uitgewerkt, uitgesproken en met de pretentie van een ‘school’. Kijken we op deze manier rond in onze rechtenfaculteiten, dan zien we al snel dat er op dat kruispunt niet alleen de bestudeerders van geldend recht staan maar ook een flink aantal theoretici, filosofen, sociologen, psychologen, criminologen, antropologen, politicologen, bedrijfswetenschappers, historici, bestuurskundigen, economen, praktizijns en wat al niet meer. Rechtenfaculteiten – en daarmee rechtswetenschap – zijn kruispunt van wetenschap

Bewijs

Het bewijs voor de juistheid van deze stelling vind ik in de literatuur, maar ook in empirisch onderzoek. De uitkomsten van de landelijke enquête ‘Rechtswetenschappelijk onderzoek’ van Van Gestel en mijzelf tonen aan dat sprake is van een kruispunt. Uit die enquête kunnen we afleiden dat de mate waarin een rechtswetenschapper affiniteit heeft met de sociale wetenschappen, praktijkgericht onderzoek en tot de humaniora, te meten is. Elke rechtswetenschapper kan zich meer of minder aangetrokken voelen tot elk van deze drie richtingen. De getallen wijzen uit dat ongeveer 68% van de respondenten zich aangetrokken voelt totkruispunt de humaniora, 66% tot de sociale wetenschappen en 75% tot praktijkgerichtheid. Dat is interessant: de meerderheid wil zich dus niet voor één karretje laten spannen. Individuele respondenten kunnen dus in verschillende richtingen kijken vanaf dat kruispunt, en dat doen ze dan ook.

Stellingname

Deze uitkomst leidt voor mij tot een normatieve stellingname. Een kruispunt van wetenschappen moet blijven werken aan de eigen identiteit. Juist omdat het een kruispunt is en er vele wegen van en naar het kruispunt voeren, staat de rechtswetenschap elke dag bloot aan invloeden van buiten en is die identiteit en de bearbeiding daarvan aan de orde van de dag. Rechtswetenschap is niet humaniora, niet sociale wetenschappen en ook niet louter praktijkgericht. Niet alleen het object van de rechtswetenschap is specifiek, maar ook de methoden en het doel waarmee deze gebruikt worden – hoe impliciet, rudimentair en onvolkomen soms ook – zijn eigen aan die wetenschap. Het eigene is echter nog steeds niet goed genoeg geëxpliciteerd en wij doen er verstandig aan daar meer werk van te maken.

Citaties meten

In mijn oratie diep ik vervolgens één thema verder uit, dat van de bronverwijzingen (naar het Engelse ‘citations’ soms ook wel ‘citaties’ genoemd, maar dan niet als in: letterlijk citeren). In veel andere wetenschappen is een gangbare manier om de kwaliteit van onderzoek te meten, het tellen van verwijzingen naar wetenschappelijke publicaties in latere publicaties. Dat meten gebeurt dan ook in allerlei varianten, met allerlei wegingsfactoren en in heel veel verschillende vormen, maar de basis van al die bibliometrie blijft: meten.

In de rechtswetenschap is dat niet gebruikelijk. Dat heeft voor- en nadelen. Wij juristen worden niet gegeseld of gegijzeld door citatiescores, impactfactoren en wat dies meer zij. Wij denken dat we kwaliteit herkennen als we deze zien. Toch is er druk van buitenaf om ook aan tellen en turven van citaties te gaan doen. Ik bepleit dat het zaak is om als rechtswetenschap eerst gedeelde normen en meetinstrumenten te ontwikkelen die recht doet aan het kruispuntkarakter van de rechtswetenschap. Want het meten van aantallen verwijzingen is zo gek nog niet; het kan een goed onderdeel zijn van onze kwaliteitshuishouding, maar het is ook niet het alfa en omega.

Ideaal en werkelijkheid

In een ideale wereld hanteren volledig ingelichte rechtswetenschappers duidelijke en relevante verwijzingsregels; daarin zijn verwijzingen het bewijs dat je werk anderen aan het denken zet, dat het navolging vindt of tot tegenspraak leidt. Men moet die verwijzingen begrijpen als intersubjectief kwaliteitskeurmerk. Dat ideaalbeeld is ook de grondslag van het meten van verwijzingen in andere wetenschappen. Maar in werkelijkheid, zo blijkt keer op keer uit onderzoek in die andere disciplines, zijn de redenen waarom wel of niet verwezen wordt naar een publicatie, veel complexer of minder eenduidig terug te voeren op de inhoudelijke kwaliteiten van het stuk waarnaar verwezen wordt.

Werk maken van gedeelde opvattingen

In de rechtswetenschap is het niet anders, vermoed ik. Dus als we nu opeens citaties gaan tellen, weten we eigenlijk niet goed wat we meten. Rechtswetenschappers zijn het in abstracto misschien eens over uitgangspunten zoals: toon dat je weet welke bronnen belangrijk zijn door de meest gezaghebbende bronnen te citeren, los je schuld in aan de auctor intellectualis door de originele bron te citeren, toon dat je het veld beheerst coverdoor de meest recente bronnen te citeren, laat geen bronnen weg wanneer ze je onwelgevallig zijn, en zo verder. Maar die uitgangspunten leiden naar mijn indruk niet tot een scherpe en gedeelde citatiecultuur. En omdat we kruispuntwetenschap zijn, zijn er invloeden van andere citatieculturen in onze faculteiten te bespeuren. Zo maakt het al een wereld van verschil of men met voetnoten werkt of met verwijzingen in de hoofdtekst. Beide vormen komen voor op het kruispunt. Om het onaardig te zeggen: als het gaat om verwijzen, doen we maar wat, expliciteren we niets en vertellen we onze studenten ook maar half wat ze moeten doen. Ik denk dan ook – maar ik zou het graag uitgezocht zien voor de rechtswetenschap – dat verwijzingen slechts voor een deel een goede weerspiegeling zijn van het onderzoeksproces, en voor een deel vooral de later (lukraak) aangebrachte steunstempels. In mijn oratie illustreer ik de juistheid van dit standpunt aan de hand van een analyse van de citaties van mijn eigen werk door anderen. In het bijzonder analyseer ik verwijzingen in de literatuur naar mijn Tilburgse oratie uit 2003. Die analyse brengt mij tot de aanbeveling om meer werk te maken van gedeelde opvattingen over verwijzingen en het verkennen van de voordelen van dat wat technisch mogelijk is. Het ontwikkelen en testen van een Leidraad Rechtswetenschappelijke bronnenverwerking en verwijzingsvormen, voor onderzoekers maar zeker ook voor studenten, hoort daar ook bij.

wordle

Privaatrecht in het laboratorium

Onderzoek naar de praktische werking van privaatrecht kan bijdragen aan onze kennis over de rechtswerkelijkheid en is nuttig om veronderstellingen van beleidsmakers, rechters en academici op houdbaarheid te toetsen. Een van de manieren om de sociale werkelijkheid te bestuderen, is rechtspsychologisch experimenteel onderzoek. Kan dergelijk onderzoek ook een bijdrage leveren aan de bestudering van ons privaatrecht? Die vraag staat centraal een recent verschenen boek onder de titel ‘Privaatrecht in het laboratorium’.

In het boek komen onderzoeksvragen aan de orde als: accepteren slachtoffers eerder een schikkingsvoorstel als dit met excuses gepaard gaat? Vertekent juridisch irrelevante informatie het beslissingsproces van rechters? Zijn juristen anders als het gaat om tekstinterpretatie? Is de dreiging van aansprakelijkheid net zo afschrikwekkend als die van strafrecht? Leiden begrijpelijkere contractvoorwaarden tot andere beslissingen? In dit boek worden antwoorden gezocht op deze en andere vragen. Dat gebeurt door middel van rechtspsychologisch experimenteel onderzoek. De auteurs voerden allen zelf een experimenteel onderzoek uit. Zij plaatsen de experimentele bevindingen in een juridisch kader en reflecteren op de bruikbaarheid van experimenten voor de ontwikkeling van het privaatrecht.

Daarmee toont dit boek, dat ik samenstelde samen met twee Rotterdamse (rechts)psychologen, Pieter Desmet en Chris Reinders Folmer, een belangrijk nieuw perspectief op het Nederlandse privaatrecht.

Privaatrecht in het laboratorium

Waarom zou men een boek als dit willen maken? Waarom zou men in het kader van privaatrechtelijk onderzoek door middel van psychologische experimenten willen achterhalen hoe individuen denken, redeneren, beslissen en zich bepaald gedrag voornemen? Wat ons betreft is het antwoord simpel: willen we uitspraken kunnen doen over de werking van bestaande regels en de te verwachten werking van nieuwe rechtsregels, dan moet de rechtswerkelijkheid in kaart worden gebracht. Daarbij is empirisch onderzoek nodig. Zo kan experimenteel onderzoek licht werpen op de vraag of individuen eerder bereid zijn om schikkingsvoorstellen te accepteren als deze gepaard gaan met verontschuldigingen. Het kan kennis opleveren over de invloed van een manier van formuleren van algemene voorwaarden op hoe consumenten de voorwaarden interpreteren. Of het kan kennis opleveren over de vraag of bestaande rechtsregels beter aansluiten bij het rechtsgevoel van burgers dan een alternatieve regel. Zo kunnen we tal van andere voorbeelden noemen. De kennis die dit type onderzoek oplevert, kan beleidsrelevantie hebben. Een regel die blijkt niet te werken, anders te werken of met onbedoelde bijwerkingen te werken, verdient het wellicht om aangepast of vervangen te worden. Die beleidskeuze wordt op die manier een beter geïnformeerde keuze. Dus als men als jurist kennis wil vergaren over de houdbaarheid van beleidstheorieën, de onderliggende veronderstellingen ten aanzien van gedrag of de mogelijke werking van privaatrechtelijke regels in de praktijk, dan dient men kennis te nemen van hetgeen empirisch onderzoek op die punten te bieden heeft. Binnen de empirische methode is het psychologisch experiment een van de gereedschappen die gebruikt kunnen worden om deze kennis te genereren en om zo een bijdrage te leveren aan verdere verbetering en doelbereiking van het recht.

Wat betreft het hoe van dit boek kunnen we het beste de bijdragen laten spreken. Leest men die, dan krijgt men een beeld van wat de experimentele benadering wel en niet vermag. De acht bijdragen zijn ondergebracht in vier thema’s: de beïnvloeding van rechterlijke beslissingen, de determinanten van actiebereidheid, rechtscultuur en morele waarden, en ten slotte verontschuldigingen, rechtssysteem en schikkingsgedrag.

Bij lezing van de bijdragen valt op dat het voorkomt dat een geformuleerde hypothese niet bevestigd kon worden – en dus verworpen moet worden totdat ander onderzoek de hypothese wel weet te bevestigen. Soms wordt in het onderzoek dat in dit boek wordt gerapporteerd, een hypothese níet bevestigd die in ander onderzoek juist wél werd bevestigd. Dan rijst natuurlijk de vraag wat dat verschil verklaart. Soms kan dat het verschil in aantal proefpersonen zijn; het kan bijvoorbeeld gebeuren dat kleine verschillen in gemiddelden opeens streatmentignificant worden als het aantal proefpersonen groter is. Bij sommige experimenten in dit boek wordt echter zo dicht tegen bestaand onderzoek aangeschoven, dat factoren zoals een verschillend aantal proefpersonen geen verklaring bieden. Dan moeten alternatieve verklaringen gezocht worden, en onze auteurs doen dat ook. Mogelijkerwijs ligt de verklaring in bepaalde gevallen in een aangescherpte formulering of een iets andere presentatie. Wellicht is in andere gevallen het cultuurverschil tussen Amerikanen en Nederlanders – daar waar het oorspronkelijke onderzoek Amerikaanse proefpersonen betreft – een verklarende factor. En ten slotte is ook denkbaar dat de studies in dit boek ook daadwerkelijk de uitkomsten van die eerdere studies in twijfel trekken.

Als wij de bijdragen aan dit boek overzien, moeten wij uiteraard vooropstellen dat dit type onderzoek veel beperkingen kent. De auteurs identificeren die beperkingen overigens ook zelf in hun hoofdstukken. De beperkingen betreffen bijvoorbeeld externe validiteit – de mate waarin de gevonden resultaten ook gelden buiten de ‘laboratoriumsetting’. Als in de echte wereld bijvoorbeeld een beslissing door veel andere factoren wordt beïnvloed dan die welke in het experiment onderzocht zijn, is de praktische waarde van het experiment beperkter dan wanneer het experiment geheel natuurgetrouw in het veld is uitgevoerd. In het verlengde daarvan kan als beperking worden genoemd dat men door middel van vragenlijsten geen gedrag kan meten, maar hooguit intenties tot gedrag. Daar komt bij dat sommige van de bijdragen aan dit boek aanleiding geven om te reflecteren op de grenzen van experimenteel psychologisch onderzoek. Men kan proefpersonen vragen hoe zij zich bejegend voelen en op dat punt verschil meten, maar of dat verschil in bejegening ook effect heeft op de vraag of zij juridische actie ondernemen hangt vermoedelijk af van de sterkte van dat effect in verhouding tot andere overwegingen. Met andere woorden: men kan zich honds behandeld voelen, maar als procederen te kostbaar is in termen van tijd en geld, zal de hondse behandeling geen noemenswaardige invloed hebben op de beslissing om al dan niet actie te ondernemen.

De hoofdstukken in dit boek zijn dus geen kant-en-klare beleidsadviezen. Maar dat betekent zeker niet dat (praktijk)juristen zich kunnen veroorloven om dit type onderzoek te negeren. Experimenteel onderzoek zoals in dit boek wordt gerapporteerd, is namelijk een bouwsteen voor een onderzoekslijn die als geheel wel degelijk beleidsrelevantie kan hebben. Als immers door combinatie van experimenteel onderzoek en veldonderzoek, waarbij onder verschillende omstandigheden hetzelfde fenomeen aan onderzoek is onderworpen, een consistente lijn van bevindingen gevonden wordt, dan dringt beleidsrelevantie zich op enig moment namelijk wél op. Daarmee levert dit boek een bijdrage aan zowel het juridisch discours over de empirische bestudering van het privaatrecht als aan het wetenschappelijke debat over uitdagingen en de beperkingen van dat type onderzoek, en bovendien levert het bouwstenen voor privaatrechtsbeleid.

Verwijzingen:

Voor nadere uiteenzetting van het nut en de beperkingen van empirisch onderzoek in het privaatrecht, zie bijvoorbeeld:

Experiment Resultaatgerelateerde Beloning bij Letselzaken – gaat dat werken?

Op 1 januari 2014 trad de Verordening experimenteerbepaling resultaatgerelateerde beloning (hierna: Verordening) in werking voor Nederlandse advocaten. Daarmee is een experiment van start gegaan waarbij het voor advocaten wordt toegestaan om met hun cliënt in letselschade- en overlijdensschadezaken een resultaatgerelateerde beloning overeen te komen. In de volksmond wordt dit wel ‘no cure, no pay’ genoemd. Het achterliggende idee van het experiment is dat ‘no cure, no pay’ tot vergroting van ‘toegang tot het recht’ kan leiden. Het experiment zal vijf jaar duren en er zullen tussentijds evaluaties plaatsvinden.

Het experiment komt niet uit de lucht vallen. Er wordt al langere tijd gepleit voor meer beweegruimte voor de letselschadeadvocatuur als het gaat om honoreringsafspraken. Zoals bekend zijn juridische dienstverleners in deze branche die geen advocaat zijn, niet beperkt in het maken van resultaatgerelateerde beloningsafspraken. De roep om meer flexibiliteit ten behoeve van de advocatuur lijkt dus mede te worden ingegeven door de behoefte aan een ‘gelijk speelveld’. Niettemin bestaat er ook kritiek op het idee van resultaatgerelateerde beloning. De vraag is daarom: hoe gaat dat experiment uitpakken?

In een artikel van Melissa de Jong en mijzelf, dat onlangs gepubliceerd werd in het Tijdschrift Vergoeding Personenschade, wordt onderzocht welke verwachtingen etvpr bestaan onder belanghebbende professionals over de werking van het experiment en of het waarschijnlijk is dat ‘no cure, no pay’ de gestelde doelen zal bereiken.

Uit ons onderzoek blijkt dat de verwachtingen van het experiment niet bijzonder hooggespannen zijn. Weliswaar zijn de reacties op het experiment als zodanig wel positief (kort gezegd is de reactie van een aantal geïnterviewden: ‘goed dat het wordt gedaan’) maar toch wordt er weinig van verwacht. Weinig zaken lijken zich te lenen voor de sterk gereglementeerde varianten van ‘no cure, no pay’ en advocaten tonen (dus?) weinig animo, zo verwachten de geïnterviewden. Zij verwachten dat de toegevoegde waarde van het experiment vooral gelegen zal zijn in het bieden van toegang tot het recht in complexe zaken met een groot financieel belang, met hoge kosten in de voorfase en met relatief grote onzekerheid van de kans van slagen. Genoemd worden beroepsziekten en medische zaken. De verwachting is vooral dat het experiment eraan kan bijdragen om schimmige afspraken tussen advocaten en letselschadebureaus te laten verdwijnen nu advocaten zelf rechtstreeks met de cliënt tot resultaatgerelateerde beloningsafspraken kunnen komen. De geïnterviewden betwijfelen dan ook of het doel van vergroting van de toegang tot het recht zal worden bereikt. In onze samenvatting: de regeling leidt naar verwachting niet tot meer zaken maar tot verschuiving van dossiers van letselschadebureaus naar advocaten. Dat strookt overigens volgens sommigen met het werkelijke doel van het experiment, namelijk het creëren van een gelijk speelveld voor advocaten en letselschadebureaus.

Of die verschuiving ertoe leidt dat advocaten ook daadwerkelijk overgaan tot het aanbieden van resultaatgerelateerde beloningsafspraken, is onzeker. Omdat advocaten niet verplicht zijn mee te doen met het experiment en evenmin om, als ze al meedoen, in alle gevallen resultaatgerelateerde beloning aan te bieden, komt het dus vooral aan op de vraag onder welke omstandigheden het voor een advocaat interessant zou zijn om een resultaatgerelateerde beloning aan te bieden. Afgezien van motieven als altruïsme en het vestigen van reputatie, zal het voornaamste motief economisch van aard zijn, zo denken wij. Letselschadeadvocaten doen geen vrijwilligerswerk en dus is resultaatgerelateerde honorering alleen interessant als de verwachte opbrengst voor de advocaat – uitgedrukt in een weging van verwachte winstkans, te besteden aantal verhaalbare uren en het uiteindelijke financiële resultaat – opweegt tegen de verwachte kosten. Als dat juist is, dan is de toegevoegde waarde naar verwachting klein. De aangekondigde evaluatie(s) van het experiment zullen hopelijk meer duidelijkheid verschaffen.

 

 

 

De politieke kleur van het BW

Heeft het BW een politiek kleurtje? Menig civilist zal de wenkbrauwen fronsen bij die vraag. Was het BW niet een technisch-juridisch wetboek dat vooral definieert, systematiseert en door middel van de gelaagde structuur leuke breinbrekers voor examenvragen levert? Of kan men aan het BW toch de politieke kleur van de wetgever zien?

Het is deze vraag die Christiaan de Jongste en ik onderzoeken in een artikel dat binnenkort in het Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht (2014/2) zal verschijnen. Natuurlijk roept dit de methodologische vervolgvraag op hoe men de politieke ‘kleur’ van een privaatrechtelijke wet meten kan. Beide vragen behandelen we, en dus formuleren we niet alleen een antwoord op de inhoudelijke vraag of privaatrechtelijke wetgeving ‘kleur’ bekent. We leveren ook een bijdrage aan de kwantitatieve methode van bestudering van het privaatrechtelijke wetgeving.

De hypothese over wetgeving die wij in onze bijdrage centraal stellen, is zeer eenvoudig. Wij veronderstellen dat wetgeving in formele zin en dus ook wijzigingen van het BW een weerspiegeling zijn van de politieke kleur van de desbetreffende regeringscoalitie. We negeren alle andere invloeden (zoals die van ambtenaren en lobbygroepen) en concentreren ons dus op het verband tussen coalitiekleur en wetgevingskleur. Natuurlijk zijn tal van nuanceringen en kanttekeningen denkbaar bij deze simpele hypothese. Toch blijkt uit onze bijdrage dat onze werkwijze robuuste resultaten oplevert.

In het artikel verkennen we eerst het construct ‘politieke ideologie’ voor zover van belang voor het privaatrecht, en bekijken we hoe in eerder onderzoek modellering en meting daarvan vorm kreeg. Vervolgens rapporteren wij ons eigen onderzoek. We lieten door middel van crowd-sourced coding een grote groep experts ‘vignettes’ van wetsvoorstellen coderen op achterliggende ideologie. Met een standaard politicologische methode konden we de kleur van coalities van de afgelopen twintig jaar coderen. Zodoende kon worden getoond dat tijdens rechtse en conservatieve kabinetten minder progressieve en linkse wijzigingswetten worden aangenomen dan onder linkse en progressieve kabinetten. Vooral bij wetsvoorstellen ‘privaatrecht achter de voordeur’ (personen- en familierecht) was het aandeel conservatieve wetten tijdens de regeerperiode van een conservatief kabinet significant hoger dan bij progressieve of middenkabinetten. Verder bleek dat de bestudeerde wijzigingswetten over het algemeen progressief en links van aard zijn.

In het artikel staan we natuurlijk uitgebreid stil bij de theorie, methodologie, de beperkingen van de opzet van ons onderzoek en op vervolgvragen. Het artikel is te vinden op http://ssrn.com/abstract=2392768.