Category Archives: Krediet

Beschikken over voorwaardelijke eigendom

Het arrest Rabo/Reuser (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, NJ 2016/290) heeft al de nodige commentaren uitgelokt. In een Ars Aequi-annotatie (mei-nummer) doe ik mijn duit in het zakje. Toegegeven, dat is behoorlijk laat. Maar ik moest dan ook een flinke stapel doorlezen voordat ik het aandurfde. Want het arrest zat mij niet lekker (en nog steeds niet). In mijn annotatie licht ik dat verder toe. Hier geef ik de hoofdlijnen van de uitspraak weer.


stapel

stapel

Heel kort gezegd oordeelt de Hoge Raad in Rabo/Reuser dat een koper van een roerende zaak onder eigendomsvoorbehoud voorwaardelijke eigendom heeft. Die eigendom is niet ‘toekomstige eigendom’ maar reeds bestaande, zij het voorwaardelijke eigendom. Over die eigendom kan worden beschikt, zodat een eventuele verkrijger van de koper volgens de wijze van art. 3:84 BW direct eigendom van de betreffende zaak kan verkrijgen, zij het onder dezelfde voorwaarde.

 

Dat de koper onder eigendomsvoorbehoud al direct over zijn voorwaardelijke eigendom kan beschikken, is relevant voor de verpanding van de zaak. Als aan de verpanding een geldige titel ten grondslag ligt en de vestigingshandeling correct is verricht, komt het pandrecht namelijk direct tot stand. Ook al is het recht waarop het pandrecht komt te rusten nog aan een voorwaarde onderworpen. De verpanding van een onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak is dus niet een verpanding bij voorbaat, maar een onmiddellijk tot stand gekomen verpanding van een bestaand recht. De Hoge Raad zegt het zo:

 “Uit deze passages [wetsgeschiedenis, WvB] blijkt dat de wetgever terzake van een overdracht onder eigendomsvoorbehoud een systeem voor ogen heeft gestaan waarin deze overdracht – behoudens afwijkend beding – wordt aangemerkt als een overdracht onder opschortende voorwaarde, waarbij de levering van de desbetreffende roerende zaken is voltooid op het moment dat de zaken in de macht van de verkrijger zijn gebracht, met als gevolg dat de verkrijger een “terstond ingaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde”, respectievelijk “voorwaardelijk eigendomsrecht” verkrijgt.”

Ik laat maar even in het midden of die passages in de wetsgeschiedenis werkelijk zo eenduidig in deze richting wijzen (zie daarover bijv. mijn annotatie). Vervolgens geeft de Hoge Raad aan dat het terstond ingegane, voorwaardelijke eigendomsrecht van de koper, niet als toekomstig goed moet worden behandeld. Dat betekent ook dat een stil pandrecht gevestigd op het voorwaardelijk eigendomsrecht van de koper onder eigendomsvoorbehoud direct en onvoorwaardelijk tot stand komt. Het pandrecht op de voorwaardelijke eigendom kan ‘uitgroeien’ tot een pandrecht op de onvoorwaardelijke eigendom (bijv. indien de koper de verkoper afbetaalt):

 “Wordt de opschortende voorwaarde waaronder de zaken aan de schuldenaar zijn overgedragen na het intreden van het faillissement vervuld – doordat de resterende prestatie wordt voldaan –, dan groeit het pandrecht van rechtswege uit tot een pandrecht op de volle eigendom van de desbetreffende zaken en daarmee op die zaken zelf.”

 

Groot belang

Wat valt op? Allereerst: het arrest is van groot praktisch belang. Als de koper onder eigendomsvoorbehoud vóór het intreden van de betalingsvoorwaarde al ‘terstond ingaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde’ heeft, dan kan hij op dat moment reeds beschikkingshandelingen verrichten die terstond tot vervreemding of bezwaring kunnen leiden en die door latere ‘uitgroei’ ertoe kunnen leiden dat per saldo toch meer in het vermogen van de verkrijger terechtkomt dan er in dat van de vervreemder zat. In de tweede plaats is het arrest van aanzienlijk theoretisch belang, namelijk voor het systeem van het goederenrecht. Het is nu aanvaard dat twee personen ten aanzien eenzelfde zaak aanvullende eigendomsaanspraken kunnen hebben, zodanig dat de één eigendom onder ontbindende voorwaarde en de ander tegelijkertijd eigendom onder opschortende voorwaarde heeft, én dat over beide rechten beschikt kan worden.

 

Twee vragen

Mijn commentaar in Ars Aequi spitst zich toe op twee vragen: past het arrest werkelijk goed in het systeem van de wet, en wat schieten ‘we’ feitelijk op met het arrest? Het antwoord op de eerste vraag is nee. Er zijn tal van plaatsen in het BW te vinden die erop wijzen dat de wetgever zichzelf niet zo had begrepen als de HR in Rabo/Reuser doet.

Het antwoord op de tweede vraag, waarmee ik doel op de gunstige gevolgen  voor de maatschappij, kan ik niet geven. Ik geef toe: dat is teleurstellend. Maar uit alle commentaren die ik tot op heden heb gezien over deze materie , kan ik evenmin een overtuigend antwoord afleiden. We kunnen in elk geval constateren dat de stofzuigertechniek van banken (stille bulkverpanding bij voorbaat van toekomstige eigendom) ook op het voorwaardelijk eigendomsrecht van de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud zal worden toegepast. Te verwachten valt dat verpandingsclausules voortaan niet alleen toekomstige eigendom maar ook toekomstige voorwaardelijke eigendom zullen beogen te omvatten. Dat maakt het goederenrecht weer een beetje ingewikkelder. Maar of daarmee aantoonbaar het belang van de kredietverlening is gediend, vraag ik mij af.

Meer daarover in Ars Aequi (mei 2017).


 

 

Telefoonabonnement ongeldig? Toestel terug, geld retour.

Toestel terug, geld retour?

Toen de Hoge Raad in 2014 had bepaald dat telefoonabonnementen met gratis toestel moeten worden gezien als kredietovereenkomst en koop op afbetaling, bleek ook dat “all in” maandbedragen niet aan de wet voldeden. Een abonnement met toestel dat niet duidelijk maakt wat de prijs is die betaald wordt voor het toestel, rente en kosten, is (gedeeltelijk) ongeldig.

Hoe moet zo’n ongeldige overeenkomst worden afgewikkeld? Toestel terug, geld retour. Simpel toch? Nou, niet echt. Want het toestel is vrijwel nooit in nieuwstaat terug te geven. Mag het telefoonbedrijf dan een bedrag aftrekken? En misschien een bedrag voor gebruik in rekening brengen? En wat als het toestel er niet meer is? Over dit soort vragen gaf de Hoge Raad onlangs uitsluitsel (HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236) . Hieronder een heel apple-157031_960_720korte aantekening op de uitspraak. De volledige annotatie is deze maand te lezen in Ars Aequi.

Wat zegt de Hoge Raad?

Allereerst bepaalt de Hoge Raad dat de regels inzake kredietovereenkomst eisen dat de koopprijs van de telefoon wordt vermeld in de overeenkomst en in de precontractuele informatie die de aanbieder moet geven. Op die manier wordt de consument in staat gesteld een weloverwogen beslissing te nemen over het krediet. Een ‘all-in’ prijs waarin zonder specificatie ook de abonnementskosten en eventuele rentekosten zijn verwerkt, voldoet dus niet.

Ook laat de Hoge Raad zich uit over de afwikkeling van de ongeldige abonnement (wat betreft het toestel). De Hoge Raad wil niet weten van een vergoeding voor het genot van het toestel. De telefonieaanbieder moet het maar doen met teruggave van het toestel. Als een klant zijn geld terugeist, mag de telefonieaanbieder eisen dat de consument het toestel retourneert. De aanbieder zal de klant dan mededelen dat en waarom deze het toestel dient te retourneren; de consument zal worden gewezen op zijn zorgplicht om netjes om te gaan met het toestel. De consument op zijn beurt kan volstaan met het retourneren van het toestel in de staat waarin zich dit bevindt.

Wordt vast vervolgd….

Tot zover de korte versie van de uitspraak (en nee, dit is geen juridisch advies). Ik werk de uitleg verder uit in de eerdergenoemde annotatie. Overigens geeft de Hoge Raad nauwelijks aanwijzingen over de berekening van het geldbedrag dat de telefonieaanbieder moet teruggeven. Daarover komt vast nóg een uitspraak van de Hoge Raad….

 

Ain’t no such thing as a free phone

Oh-Yes-its-FREE---iStockOnlangs besliste de Hoge Raad dat een telefoonabonnement met een ‘gratis’ telefoon in een overeenkomst met een consument een overeenkomst van consumentenkrediet (in de zin van de Wck en Titel 7.2A BW) is en ook valt onder de regels van koop op afbetaling (artikel 7A:1576 BW). In deze bijdrage, die gebaseerd is op mijn annotatie van het arrest, ga ik wat uitgebreider op de zaak in.

De Hoge Raad onderzoekt in dit verband de bewoordingen en strekking van de betreffende ‘strekkingsbepalingen’ van artikel 7A:1576 lid 3 BW, artikel 1 Wck en artikel 7:73 lid 2 BW en overweegt dan dat de regels inzake koop op afbetaling en consumentenkrediet de bescherming van consumenten ten doel hebben en dat daarom bij het vaststellen van de strekking van gesloten overeenkomsten bijzonder gewicht toekomt aan het perspectief en het belang van de consument. De vormgeving, benaming en formulering van de overeenkomsten zijn niet beslissend, omdat die juist zijn vastgesteld door de aanbieder en niet door de beschermeling.

Vervolgens geeft de Hoge Raad vier overwegingen die tot de conclusie leiden dat de overeenkomst wat betreft de verkrijging van de mobiele telefoon in beginsel moet worden aangemerkt als koop op afbetaling en consumentenkrediet:

  1.  De eerste overweging is dat voor de consument een nieuwe mobiele telefoon in het algemeen zowel in absolute zin als in verhouding tot de periodieke abonnementskosten een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt.
  2. Daarom, en dat is de tweede overweging, moet worden aangenomen dat de beweegredenen van de consument om over te gaan tot het sluiten van het abonnement, mede gelegen is in de wens om de eigendom van het toestel te verkrijgen.
  3. In de derde plaats zal, althans mag, de consument niet verwachten dat hij het toestel geheel kosteloos verkrijgt, gezien de waarde daarvan. Hij zal er rekening mee houden, althans moet er rekening mee houden, dat in de periodieke abonnementsgelden ook een vergoeding voor de verkrijging van het toestel is verwerkt.
  4. De aanbieder zal de gemaakte inkoopkosten geheel of gedeeltelijk willen terugverdienen uit de abonnementsgelden.

Deze vier overwegingen brengen met zich, aldus de Hoge Raad, dat het in overeenstemming is met de financiële en bedrijfseconomische werkelijkheid, de verwachtingen die partijen mogen hebben en de consumentenrechtelijke strekking van de hier relevante wetsbepalingen om als uitgangspunt te nemen dat de periodieke abonnementsgelden niet alleen een vergoeding zijn voor de telecommunicatiediensten maar ook strekken tot afbetaling van de koopprijs voor het toestel.

De Hoge Raad komt zodoende tot de conclusie dat een telefoonabonnement inclusief toestel wat betreft de verkrijging van het toestel in beginsel als koop en verkoop op afbetaling als bedoeld in artikel 7A:1576 BW aangemerkt moet worden. De strekking van de overeenkomst – onder welke vorm of benaming dan ook aangegaan, en door de juridische constructie heenkijkend – is namelijk dat het toestel afbetaald wordt in twee of meer termijnen na aflevering. Zodoende strekt de overeenkomst er mede toe om betalingsuitstel te geven en kunnen de periodieke betalingen mede aangemerkt worden als deelbetaling ter zake van de koopsom voor het toestel.

Dezelfde conclusie geldt voor de regels van consumentenkrediettransactie en overeenkomst van consumentenkrediet: zowel de tekst als de totstandkomingsgeschiedenis van de strekkingsbepalingen artikel 1 Wck en artikel 7:73 lid 2 BW wijzen er op dat een objectieve en feitelijke beschrijving van wat het contract doet voorrang heeft boven een ‘formeel-juridische benadering’ die de economische werkelijkheid maskeert en die het dwingendrechtelijke karakter van de beschermingsregels omzeilt.

Daarmee zijn de regels inzake koop op afbetaling en consumentenkrediet van toepassing. Er zijn echter twee uitzonderingen, aldus de Hoge Raad, namelijk indien de aanbieder aannemelijk kan maken dat de abonnementsgelden niet mede strekken tot vergoeding van de eigendomsverkrijging van het toestel of indien de aanbieder, bij overeenkomsten vanaf 25 mei 2011 (i.w.tr. Titel 7.2A), aannemelijk kan maken dat sprake is van zogeheten ‘zacht krediet’.

De uitspraak laat zien dat de juridische kwalificatie van een telefoonabonnement met ‘gratis’ toestel niet eenvoudig is, maar wel verstrekkende gevolgen kan hebben. Zo is artikel 1:88 BW van toepassing is op de koop op afbetaling. Bovendien moet een kredietovereenkomst op papier of andere duurzame drager gesteld worden, moet de overeenkomst de contante prijs van het telefoontoestel vermelden, moet de aanbieder allerlei (precontractuele) informatie verschaffen aan de consument en kan de kredietnemer binnen veertien kalenderdagen na (veelal) de contractsluiting het contract zonder opgaaf van redenen ontbinden. Er zitten dus de nodige addertjes onder het gras bij een ‘gratis’ telefoon. Over deze en andere aspecten schrijf ik deze maand in Ars Aequi.

Overkreditering – wat is de sanctie?

Tijdens kerst natuurlijk oppassen voor overmatig eten… maar misschien ook nog even stilstaan bij overmatige kredietverlening….?

Het probleem van overkreditering – het bedrijfsmatig verstrekken van krediet aan klanten in de wetenschap (subjectief of objectief) dat de klant niet in staat is om dat krediet of de maandelijkse rente en aflossingen terug te betalen – levert een moeilijke civielrechtelijke puzzel op.

Wat is namelijk de sanctie op overkreditering? Uiteraard zit er een uitgebreide bestuursrechtelijke kant aan overkreditering door kredietverstrekkers (bijv. sanctionering door de AFM), maar hoe het civielrechtelijk in elkaar zit is nog niet zo  eenvoudig te zeggen.

Overkreditering kan men zien als het gevolg van gebrek aan zorg voor de klant bij de totstandkoming van de geldlening. Het is dus een precontractueel tekortschieten en daarom is het denkbaar dat een delictuele schadevergoedingsvordering (art. 6:162 BW) passend is. Maar wat is de schade die dat tekortschieten heeft veroorzaakt? Zou de geldschieter wél voldoende zorg hebben betracht, dan zou geen geld of minder geld zijn uitgeleend. Dit betekent strikt juridisch dat de klant moet worden teruggebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd zonder het tekortschieten. En dat kan ook tot de conclusie leiden dat nooit één cent uitgeleend zou zijn. Hoe is het dan mogelijk om terug te brengen in de oude toestand zonder de klant te verplichten de gehele leensom terug te betalen? Misschien moet de ontleedwijze die de Hoge Raad hanteerde in de aandelenlease-arresten weer worden toegepast? Dat zou betekenen dat onderscheid gemaakt kan/moet worden tussen rentebetalingen, aflossingen en restschuld. In de weinige rechtspraak die er is over dit onderwerp, ziet men soms de oplossing dat de rente over het overgekrediteerde bedrag als schadevergoeding wordt toegewezen (bijv. ECLI:NL:GHARL:2013:6826).

Nog ingewikkelder wordt het als het precontractueel tekortschieten tot vernietiging van de geldleningsovereenkomst aanleiding zou geven. Als de dienstverlener de consument op het verkeerde been heeft gezet door essentiële informatie niet of niet voldoende duidelijk te communiceren, of door verkeerde dan wel misleidende informatie te geven, is vernietiging wegens dwaling denkbaar (art. 6:228 BW; vgl. ook het nieuwe art. 6:193j lid 3 BW). Als de klant vernietigt, legt hij mogelijk wel zijn hoofd in een strop. Na vernietiging krijgt hij weliswaar recht op terugbetaling van aflossing en rentebetaling, maar hij moet zelf ook terstond de hoofdsom terugbetalen.

Misschien is er nog een derde weg. Soms wordt voor de oplossing gekozen dat de klant ‘recht op kwijtschelding’ van het teveel geleende heeft (zie bijv. Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 29 december 2010, nr. 216). Ik schreef daar eerder over in de bundel ‘Vastgoedfinanciering in woelige tijden‘. Of die derde oplossing dogmatisch wel goed in te passen valt, is overigens nog maar de vraag…