Monthly Archives: January 2014

Fijn dat we verzekerd zijn… ook tegen aardbevingen?

Als we de krantenberichten mogen geloven, zal zich op enig moment in de nabije toekomst een ernstige aardbeving voordoen in Groningen. Bijzonder is dat de aardbeving geen natuurverschijnsel is, maar door de mens veroorzaakt is (zo begrijp ik de ‘stand van de wetenschap’ althans). Bovendien is de beving redelijk te voorspellen. En als de grote beving komt, kan die veel schade veroorzaken. Ik vroeg me af hoe het zit met verzekeringsdekking bij de grote beving. Niet dat ik in Groningen woon, maar ik heb toch maar eens mijn verzekeringspolissen er bij gepakt. Ben ik gedekt tegen aardbevingen? Ik heb wat scenario’s op een rij gezet.

Mijn auto raakt beschadigd door vallende stenen van het dak van de buurman.

Gelukkig heb ik een cascoverzekering voor mijn auto. En die geeft duidelijk aan dat schade aan mijn auto door een aardbeving gedekt is.

Mijn huis stort in – een passant raakt ernstig gewond.

Ik kon er niets aan doen, dus laten we even aannemen dat ik geen schuld heb aan dit letsel. Maar mijn huis is wel een opstal in de zin van art. 6:174 BW. En huizen horen niet in te storten (net zoals dijken niet behoren weg te schuiven; zie HR 17-12-2010 Wilnis), dus grote kans dat deze passant – of zijn nabestaanden – zal willen betogen dat ik risico-aansprakelijk ben. Dit lijkt mij een aansprakelijkheidsrisico ten aanzien van alle opstallen waarvan deskundigen nu al kunnen voorspellen dat deze de te verwachten aardbeving niet zullen weerstaan. Van die opstallen is immers nu al bekend dat zij niet de veiligheid bieden die men daarvan mag verwachten, toch? En ook voor andere opstallen sluit ik niet uit dat een beroep op art. 6:174 BW ook tot de mogelijkheden behoort.

Dekt mijn aansprakelijkheidsverzekering dit risico? Goede vraag. Ik kijk het even na en wat blijkt: in de algemene polisvoorwaarden is uitgesloten “schade die is veroorzaakt door een aardbeving of vulkanische uitbarsting.” Maar er staat ook: “Daar waar de bijzondere voorwaarden afwijken van de algemene voorwaarden, geldt wat in de bijzondere voorwaarden vermeld staat.” Prima, kijken we even verder naar de bijzondere voorwaarden voor aansprakelijkheid. In deze bijzondere voorwaarden staat: “Deze voorwaarden gelden, mits van toepassing verklaard op de polis, naast de Algemene voorwaarden”.  Als ik de bijzondere voorwaarden langsloop, zie ik dat wettelijke aansprakelijkheid is gedekt. En er staan uitsluitingen, zoals seksuele misdragingen, opzicht, voertuigen en zo verder. Maar er staat niets over aardbevingen in combinatie met art. 6:174 BW. Dus wijken de bijzondere voorwaarden door stilzwijgen nu af van de algemene? Is aansprakelijkheid ex art. 6:174 BW in verband met aardbevingen wel of niet gedekt? Het is me niet duidelijk geworden.

Mijn huis stort in – het huis is beschadigd.

Is schade door aardbeving eigenlijk gedekt op mijn opstalverzekering? Ik geloof het wel. Maar hier speelt hetzelfde probleem als hierboven – de verhouding algemeen/bijzonder in mijn polisvoorwaarden is me niet helemaal duidelijk. Het lijkt er in elk geval wel op dat als de aardbeving een dijk doet bezwijken, mijn opstalverzekering niet wil dekken. Mijn polis sluit namelijk uit ‘schade die is veroorzaakt door overstroming tengevolge van dijkdoorbraak of tengevolge van scheuren, gaten of andere beschadigingen aan waterkeringen’).  En wat geldt als je polis bepaalt dat ‘grondverzakking, grondverschuiving en instorting’ van dekking zijn uitgesloten? Valt een aardbeving daar ook onder? En nog een causaliteitsvraagje: is overstroming door dijkdoorbraak wel of niet gedekt, als aardbeving wel maar dijkdoorbraak niet is gedekt?

Mijn huis stort in – ik kom te overlijden.

Gelukkig – nou ja, voor mijn nabestaanden dan… – heb ik een ongevallenverzekering en een levensverzekering. Wat betreft de ongevallenverzekering denk ik dat de aardbeving geldt als ‘Een plotseling, onafhankelijk van de wil van de verzekerde, van buiten rechtstreeks op het lichaam inwerkend fysiek geweld, dat letsel of overlijden tot gevolg heeft.’ Maar ook hier geldt weer dat bij mijn ongevallenpolis ‘deze voorwaarden gelden, mits van toepassing verklaard op de polis, naast de Algemene voorwaarden.’ En daar stond nu juist dat aardbevingen uitgesloten waren…. Wat betreft de levensverzekering (bij een andere verzekeraar), die is wel duidelijk geloof ik. Geen nucleaire ramp of oorlog, dus gewoon gedekt.

Dekkingsvragen dus.

Zoals hierboven bleek, heb ik een paar verzekeringspolissen die opgebouwd zijn uit modules, waar algemene en bijzondere bepalingen op van toepassing zijn. De onderlinge samenhang daartussen is me niet helemaal duidelijk. Bij beantwoording van de vraag of iets is gedekt of niet, zijn dan van belang: de bewoordingen van de polis en de samenhang tussen de polis-onderdelen, de uitleg die daar redelijkerwijs aan gegeven moet worden, en ook de redelijke verwachtingen die verzekeringnemers aan het product ontlenen. In verband met een dispuut over de uitleg van een aansprakelijkheidsverzekering was de Hoge Raad behoorlijk duidelijk: “De functie die een AVB-polis in het maatschappelijk verkeer vervult en de daarop gebaseerde verwachtingen van verzekerden, rechtvaardigt (…) een ruime dekkingsomvang” (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1295 ; Onderlinge/Nationale Nederlanden). Geldt dat niet voor elke schadeverzekering? Voor die verzekeraars die bevingsschade niet willen dekken en die een gecompliceerde structuur van algemene en bijzondere voorwaarden gebruiken waar niet helemaal duidelijk uit wordt hoe het precies zit, is het dus misschien goed om hun klanten daar nog even op te wijzen. Ik zelf kon het in elk geval niet heel erg goed uit mijn polissen opmaken.

Als de beving komt…

Natuurlijk is wat ik hierboven schets, niet het hele verhaal. Er lopen allerlei andere vergoedingsmechanismen door het verhaal heen. Aansprakelijkheid van de NAM voor personen- en zaakschade is naar ik aanneem heel eenvoudig te gronden op art. 6:177 BW (risicoaansprakelijkheid van de exploitant van een mijnbouwwerk voor schade door bodembeweging; nota bene: expliciet niet uitgesloten ex art. 6:178 aanhef en onder b BW). En misschien zit er ook nog een ‘egalité devant les charges publiques’ aspect aan dit alles. En voor zover er private verzekeraars in de buidel hebben getast, zullen die op hun beurt verhaal willen nemen op de NAM en wellicht de Staat.

Kortom, als de beving komt en grootschalige schade teweegbrengt, zijn er nogal wat aansprakelijkheids-, schadevergoedings- en dekkingsvragen en is het vooral zaak om op efficiënte wijze deze massaschade af te wikkelen. Voor nu zou het al handig zijn als verzekeraars voor hun Groningse klanten nog even op een rij zetten wat wel en niet gedekt is. Kunnen ze ook direct een standpunt innemen over de vraag of onder het begrip ‘aardbeving’ in hun polissen – voor zover niet verder gedefinieerd in die polis – ook valt te verstaan een door mensenhand teweeggebrachte aardbeving. Want het gaat hier niet om een rechttoe-rechtaan natuurramp waar ik in de eerste plaats aan zou denken bij dat soort uitsluitingen.

  • Zie over deze materie ook T. Hartlief, ‘De gaskraan dicht!?, NJB 2014/4, p. 249.

 

Hoe ziet de wereld er uit zonder ‘civiel effect’?

Hoe ziet de wereld er uit zonder civiel effect?  

Het blijft tobben met de reputatie van de Nederlandse universitaire rechtenopleidingen. In 2010 opende toenmalig deken Bekkers de aanval: rechtenopleidingen zijn flinterdun, te eenvoudig, te nationaal en ze hebben nauwelijks enige relatie met wat er in de maatschappij gebeurt. Daarna was er prof. Ahsmann (NJB 2011/28, p. 66-70) die de rechtenfaculteiten van wanprestatie betichtte: faculteiten maken hun eigen eindkwalificaties niet waar, want  de aangeboden opleidingen worden gekenmerkt door onvoldoende verband, doelgerichtheid en zicht op gehanteerde kwaliteitsnormen. Het gevolg is dat rechtenfaculteiten studenten afleveren die niet aan de wettelijk geformuleerde minimumeisen voldoen.

Die wettelijke eisen worden ook wel de ‘civiel effect’ eisen genoemd. Alleen als men een meesterstitel heeft verworven op basis van een bepaald universitair vakkenpakket, heeft men de basiskwalificatie die nodig is om – na verdere vervolgscholing – het tot advocaat of rechter te schoppen. Dat ‘civiel effect’ kan alleen worden bereikt door het behalen van een meesterstitel aan een van de tien Nederlandse rechtenfaculteiten. Die faculteiten hebben dus een monopolie als ‘hofleverancier van togadragers’. En volgens Ahsmann en Bekkers leveren die faculteiten broddelwerk. Niet leuk om te horen wanneer je, zoals ik, al twintig jaar lang behoorlijk rechtenonderwijs dacht te geven.

En recentelijk was er nog een rimpeling in de vijver. In een interessant commentaar van Leo van der Wees in NRC werd gewezen op een uitlating van Martijn Snoep, topadvocaat bij een topkantoor, die had geopperd dat slimme afgestudeerden van welke opleiding dan ook tot de advocatenopleiding toegelaten zouden moeten kunnen worden. Dus, zo vat ik het maar even samen, niet langer een monopolie van rechtenfaculteiten als hofleverancier van togadragers. Ik kan in gedachten sommige rechtendecanen al van kleur zien verschieten bij het idee dat advocatenkantoren ook elders zouden kunnen winkelen (klik hier voor twee voorbeelden). Dat zou namelijk kunnen betekenen dat zij niet langer in een overzichtelijk speelveld zouden opereren met negen concullega’s. Overigens denk ik dat menig advocaat ook van kleur zou verschieten bij de vergelijkbare gedachte dat het procesmonopolie van advocaten geheel opgeheven zou worden – het idee van volledige competitie is nu eenmaal beangstigend als men er niet in opereert.

De geluiden van Ahsmann en Snoep staan niet op zichzelf. Iedereen heeft wel wat te klagen over rechtenfaculteiten. Toch lijken de geopperde oplossingsrichtingen nogal te verschillen. Ahsmann lijkt te suggereren dat een langere opleidingsduur, en dus meer overheidsinvestering, de oplossing kan bieden, en dat we zo weer echte ‘hogepriesters’ van het recht kunnen maken van onze jonge juristen. Snoep lijkt juist te suggereren dat opheffing van het monopolie en dus het vergroten van concurrentie tussen rechtenfaculteiten en andere opleidingen de sleutel tot succes is, althans de sleutel tot oplossing van het probleem van zijn topkantoor. Pleidooien voor meer overheidsgeld voor een opleiding tot hogepriester zijn weinig realistisch. In deze bijdrage kijk ik daarom vooral naar de suggestie van Snoep; die kost de overheid niets.

Vreemd of slecht?

Is het idee dat Snoep oppert vreemd of slecht? Vreemd is het niet. In Engeland is een LLB opleiding helemaal niet nodig om toegelaten te worden tot de advocatuur; een praktijkgerichte schakelopleiding volstaat, ook als men een Baccalaureate in Arts heeft. Zo heb ik van een Engelse collega wel eens begrepen dat het in Engeland niet ongebruikelijk is dat advocatenkantoren werven onder afgestudeerden in social sciences en humanities. Liever een afgestudeerde geschiedkundige met first class honours dan een afgestudeerd jurist met second class honours. In beide gevallen moeten ze toch verder opgeleid worden en moet ze alle kneepjes van het vak worden bijgebracht.

Maar dat zoiets in Engeland werkt, is geen garantie voor succes in de Lage Landen. Het lijkt mij in elk geval onverstandig om dat Engelse concept zonder nadenken te willen transponeren naar ons land. De wettelijke status en bescherming van opleidingen, titels en markten voor juridische dienstverlening verschillen namelijk nogal. Het transponeren van een Engels idee naar Nederland kan alleen werken als dat past in de context. Dit is niet de plek om alle relevante verschillen tussen beide landen te benoemen, dus ik volsta met het noemen van een paar markante verschillen om een indruk te geven: in Engeland moeten rechtenopleidingen concurreren met andere opleidingen, maar tegelijk mogen zij ook selecteren op middelbareschoolcijfers. Daardoor is een situatie van concurrentie en grote reputatieverschillen tussen rechtenfaculteiten ontstaan: een diploma van de rechtenopleiding van Durham wordt anders gewaardeerd dan van Bradford. In ons land zegt de herkomst van het diploma vrij weinig over de capaciteiten van de afgestudeerde, zo durf ik wel te stellen. De schaalverschillen tussen beide landen zijn bovendien aanzienlijk: op een Engelse bevolking van ruim 50 miljoen bestaan er ongeveer 100 rechtenfaculteiten (dat is dus 1 rechtenfaculteit per 500.000 inwoners), en op onze bevolking van krap 17 miljoen zijn dat er welgeteld 10 (en dat is 1 faculteit per 1,7 miljoen inwoners). De staf/student ratio is dus beter daar, en onze schaal hier is groter. Mijn indruk is dus dat wij hier meer doen voor minder geld. Bovendien vermoed ik dat het geen toeval is dat een maatschappij van rangen en standen als de Engelse een zo concurrerend model van rechtenonderwijs kent. Het contrast met onze rechtenopleidingen, die voor een goed deel emancipatoire opleidingen zijn die worden aangeboden door tien oligopolistische staatsinstellingen met weinig onderscheidende kracht, kan eigenlijk niet groter zijn.

Het idee van Snoep is dus niet vreemd, omdat het elders ook gebeurt. Maar dat zegt vrij weinig over de bruikbaarheid in de Nederlandse context. Is het idee van Snoep slecht? Laat ik vooropstellen dat ik het een interessante gedachte vind om rechtenfaculteiten het ‘civiel effect-monopolie’ te ontnemen. Ik weet alleen niet welk probleem dat nu exact oplost en welke effecten daarvan zijn te verwachten. Eerst maar eens een analyse maken van het probleem voordat we aan oplossingen denken.

Ik vermoed dat het probleem is dat topkantoren niet de personen kunnen aantrekken met de vaardigheden die ze zouden willen hebben. Dat verbaast me niet, want – om het onaardig te zeggen – rechtenfaculteiten verdienen hun brood niet met het opleiden tot topadvocaat. Decennialang heeft de overheid ingezet op het opkrikken van het aantal academisch geschoolden en de rechtenopleiding is een van de vehikels waarmee dit beleid gerealiseerd is. Met het afschaffen van het ingangsvereiste van een gymnasiale opleiding in de jaren 60 heeft de rechtenopleiding zich ontwikkeld van een elitaire naar een emancipatoire opleiding. Het doel werd om de massa te verheffen (Hoger Onderwijs voor Velen, noemt Blom dat), veel diploma’s tegen lage kosten te produceren, en voor universiteitsbesturen verschoof het accent allengs meer naar de rechtenfaculteit als een brede en per saldo winstgevende kurk. Rechtenopleidingen zijn de afgelopen veertig jaar dus helemaal niet bezig geweest met het opleiden van de elite voor topkantoren. Ze zijn ook lange tijd helemaal niet bezig geweest met het aantrekken van de beste studenten maar vooral met het aantrekken van de meeste studenten. Bijgevolg belanden veel afgestudeerden helemaal niet in een toga (laat staan bij een topkantoor), maar vervullen tal van maatschappelijk gewaardeerde functies. Functies die mogelijk niets met het rechtendomein te maken hebben. Dus als rechtenfaculteiten zich vanaf morgen alleen zouden richten op het topsegment togadragers (als we al zouden weten waar we dan bij toelating op moeten selecteren), dan betekent dat aanzienlijk minder studenten, minder staf en uiteindelijk minder faculteiten.

Aan de maatschappelijke winst van een breed toegankelijke meesterstitel kleven natuurlijk ook keerzijden. Een emancipatoire opleiding mag niet selecteren en trekt vanwege de breedte ook studenten aan die men niet moet willen aantrekken, zoals minder gemotiveerde of niet-talige studenten. En laten we wel wezen: van de rechtenstudenten die van het VWO komen (ong. 80%) is het gemiddelde middelbareschool-cijfer niet hoog (zie: OCW Studentenmonitor). Rechtenopleidingen hebben lange tijd geen effectieve strategie gehad wat betreft deze nadelen. Dat is geen onwil of onkunde, maar gewoon het gevolg van bestuurlijke realiteit. Selecteren van studenten bij de poort op middelbareschoolcijfers is in een egalitaire samenleving een lastig punt (ziedaar al een groot verschil met Engeland). Universiteitsbesturen hebben er kennelijk ook onvoldoende belang bij gehad om naar een op excellentie gerichte rechtenopleiding te streven, en tegenwoordig wordt het wegsturen van studenten met een bindend studieadvies eerder ‘geframed’ als het vernietigen van een lopende investering dan als de sanctie op onderpresteren of als vaststelling dat de betrokken student gewoon verkeerd gekozen heeft.

Rechten als brede opleiding

Rechtenstudenten zijn er in alle soorten en maten: talentvolle en ongetalenteerde, luie en hardwerkende, sociaal handige en onhandige. Sommigen zijn gedreven om bij een topkantoor advocaat te worden. Anderen durven niet verder te dromen dan de dag van de diploma-uitreiking. De meest passende kritiek die rechtenfaculteiten zich kunnen aantrekken is dat zij lange tijd geen enkele poging ondernamen om hun beste studenten in de etalage te zetten, zodat zoekkosten voor topkantoren en rechterlijke macht hoog waren. Zie maar eens die ene getalenteerde student te ontdekken tussen de massa. Dát etaleren is een taak van rechtenfaculteiten die realiter vervuld kan worden binnen de bestaande kaders. We kunnen niet alleen maar toppers afleveren, omdat we niet alleen maar toppers binnenkrijgen en we de boel wel draaiende moeten zien te houden.

De vraag is of het beeld heel erg verandert als de suggestie van Snoep zou worden gevolgd. Wat zou er gebeuren als de wettelijke monopoliepositie van rechtenfaculteiten zou verdwijnen? Ik durf daar geen harde uitspraken over te doen, dus laat ik volstaan met speculatie. Zou het wegnemen van het civiel effect-monopolie tot meer concurrentie tussen rechtenfaculteiten leiden en zodoende tot meer prikkels om vooral goede togadragers in spe af te leveren? Dat is nog maar de vraag. Als momenteel een relatief klein aantal van de afgestudeerden in een toga terecht komt (en een nog kleiner percentage in de topadvocatuur), is het voor rechtenfaculteiten verstandiger om voor de massa te kiezen. Vergeet niet dat rechtenopleidingen niet hun eigen tarieven mogen rekenen en dus niet kunnen kiezen voor een elitaire kleine faculteit met alleen maar topstudenten die een flink tarief neerleggen. Tenzij er natuurlijk een College van Bestuur opstaat dat kiest voor het in de lucht houden van een niet-kostendekkende opleiding voor topadvocaten en toprechters binnen een faculteit die geen enkele potentie heeft om Nobelprijzen te winnen en enorme onderzoeksmiddelen te genereren. Een dergelijk beleid is in theorie natuurlijk denkbaar, maar in de praktijk zou het waarschijnlijk academisch wanbestuur zijn. Het gevolg is in elk geval dat het bieden van een kleinschalige uitdagend programma aan excellente rechtenstudenten alleen mogelijk is als faculteiten bereid zijn om er financieel op toe te leggen of om private sponsoring aan te trekken, of als de overheid tarifering van dergelijke opleidingen vrijmaakt.

Dus misschien kan het voor rechtenfaculteiten helemaal geen kwaad om de advocatuur open te stellen voor personen met een andere vooropleiding. Zolang de overheid inzet op een egalitaire en brede rechtenopleiding die aantrekkelijk is voor studenten die niet in aanmerking komen voor topkantoren met hun eigen schakelopleiding, blijft er vermoedelijk voldoende bestaansrecht over voor rechtenopleidingen.

Een realistische benadering

Het idee om ook anderen dan meesters toe te laten tot de toga, komt juist op het moment dat veel rechtenfaculteiten op het zoveelste kruispunt zijn aanbeland. Groeien of krimpen? Nadruk op excellentie of emancipatie? Internationaal of nationaal? Duidelijker naar buiten profileren van talentvolle studenten door middel van ‘honours’ trajecten? Aparte masteropleidingen mét selectie aan de poort? Meer aandacht voor vaardigheden die togadragers nodig hebben, of juist meer aandacht voor het opleiden van excellente onderzoekers? Kiezen voor een generieke opleiding, of juist een eigen smoel met accenten op een bepaald onderdeel of bepaalde methode?

Ik denk dat per saldo een realistische benadering voor hedendaagse rechtenfaculteiten is om maatschappelijke behoeften te combineren: faculteiten moeten enerzijds een brede opleiding bieden die afgestudeerden aflevert die bij benadering weten waar zij oplossingen voor juridische vraagstellingen kunnen vinden, die in staat zijn om die oplossingen te construeren, die in staat zijn om grote hoeveelheid informatie te analyseren, deze om te zetten in relevante argumentatie en daarover in woord en geschrift te rapporteren, en die meer van dergelijke brede academische vaardigheden hebben. En anderzijds moeten rechtenfaculteiten in staat zijn om de beste studenten in de etalage te zetten zodat topadvocatuur en rechterlijke macht kunnen besparen op zoekkosten. Als we dat kunnen waarmaken, durf ik de concurrentie wel aan.

Dekking bij ‘claims made’ polissen: prejudiciële vraag aan de Hoge Raad

Bij aansprakelijkheidsverzekeringen is altijd sprake van ten minste drie partijen. Aan de ene kant zijn er de ‘echte’ partijen, de verzekeraar (1) en verzekeringnemer/verzekerde (2). En aan de andere kant is er de buitenstaander, de benadeelde (3). Die benadeelde is geen partij bij de verzekeringsovereenkomst. Hij betaalt de premie niet, hij beslist niet mee over de dekkingsomvang en andere voorwaarden. Dus juridisch gezien heeft hij vooral vooral een claim tegen de verzekerde, namelijk een claim uit wanprestatie of onrechtmatige daad. Maar feitelijk gezien heeft hij wel een groot belang bij het bestaan van de verzekering en de mogelijkheid om betaling te genieten uit de polis. Zeker als de verzekerde verder geen cent heeft.

Dat levert een aantal dilemma’s op, zoals: staat het de ‘echte’ partijen vrij om iets te bedingen dat nadelig kan zijn voor de benadeelde? Denk aan een afgesproken termijn, waarbinnen de claim moet worden ingediend. Als de polis zou bepalen dat na die termijn geen dekking meer bestaat, is dat niet alleen voor de verzekerde nadelig maar ook voor de benadeelde. Die houdt natuurlijk wel een vordering op de verzekerde als veroorzaker van de schade, maar daar heeft hij niets (of minder) aan als de verzekerde bijvoorbeeld na het veroorzaken van de schade failliet gaat.

In ons recht zijn er een aantal manieren waarop de positie van de benadeelde in het faillissement van de aansprakelijke wordt verstevigd. Zo is er de ‘action directe’ bij verkeersongevallen (art. 6 WAM) die de benadeelde een rechtstreekse vordering geeft op de verzekeraar. Bovendien zijn er dwingendrechtelijke regels bij die ‘action directe’ die voorkomen dat de ‘echte’ partijen iets bedingen dat nadelig kan zijn voor de benadeelde.

Een andere manier waarop benadeelden worden tegemoetgekomen, is te vinden in art. 7:954 BW. Dat artikel is van toepassing op allerlei aansprakelijkheidsverzekeringen buiten het verkeer, zoals bij huis-tuin-en-keuken ongevallen veroorzaakt door verzekerde particulieren of bij gedekte medische aansprakelijkheid.

De constructie van art. 7:954 BW is eigenlijk een slap aftreksel van de ‘action directe’. Het artikel is bovendien nogal ingewikkeld. Het geeft de benadeelde niet echt een rechtstreekse vordering op de verzekeraar, maar hij krijgt het recht om de vordering die de verzekerde (de aansprakelijke) heeft op zijn verzekeraar in verband met de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis (de beroepsfout) uit te oefenen. Hij neemt dus als het ware het stuur over van de verzekerde zodra die een vordering heeft op zijn verzekeraar, en mag zijn eigen bankrekeningnummer aan de verzekeraar geven zodat de betaling aan de benadeelde toekomt en niet aan de verzekerde. Wel zo handig als de verzekerde failliet is of er beslag is gelegd op diens vordering op de verzekeraar. Althans, dat is het idee.

Van de bescherming die art. 7:954 BW biedt aan de benadeelde, mag niet worden afgeweken in de polis. Het artikel is dus dwingendrechtelijk van aard (art. 7:963 lid 4 BW). Maar dat klinkt eenvoudiger dan het is.

De wet zegt bijvoorbeeld wel dat beschikkingshandelingen van de verzekerde en beslag op de vordering, voor zover het gaat om schade door dood of letsel (art. 7:954 lid 4 BW). Maar de wet bepaalt niets over de gevolgen van faillissement van de verzekerde. Dus moet teruggegrepen worden op beginselen van faillissementsrecht en op doel en strekking van art. 7:954 BW.

Hier kan een botsing optreden tussen de beschermingsidee van art. 7:954 BW en de contractvrijheid van de ‘echte’ partijen bij de overeenkomst. Zo bepaalt de wet niets dwingends over hoe partijen de dekking in tijd in hun verzekeringsovereenkomst moeten regelen. Het staat verzekeraars daarom vrij om te kiezen voor een dekking in tijd die zij passend vinden (en die de klant aanvaardt). Dat betekent dat de verzekeraars vrij is om een polis aan te bieden die in tijd gemeten niet aanknoopt bij de verwezenlijking van het verzekerde risico (‘act committed’ dekking) of het lijden van schade (‘loss occurrence’ dekking), maar bij het moment van het indienen van de claim door de verzekerde (‘claims made’ dekking).

Wat nu als de ‘claims made’ polis bepaalt dat de dekking ophoudt zodra de verzekerde failliet verklaard wordt? Volgens een recent bericht in de media (FD 10 januari 2014; zie ook hier) speelt dit punt in een claim van benadeelden tegen een verzekerd ziekenhuis. Het gaat kennelijk om vorderingen uit medische aansprakelijkheid, ontstaan vóór faillissement van het ziekenhuis maar ingediend ná faillissement.

Ik ken de details van de zaak niet, maar in algemene zin kan ik wel het volgende zeggen over het onderliggende probleem. Ik laat even daar dat er ook nog de complicatie is in dit soort gevallen dat de benadeelde vaak afhankelijk is van de verzekerde wat betreft het tijdig melden van de claim. Daar biedt de wet ook een – tamelijk ingewikkelde – regeling voor (art. 7:954 en art. 7:941 BW). Die laat ik hier buiten beschouwing.

De vraag die opdoemt, is wat de werking is van een verzekeringsbeding dat bepaalt dat de ‘claims made’ dekking eindigt met faillietverklaring. Enerzijds bepaalt de wet niets over dekkingsomvang in tijd gemeten en dus lijkt het in theorie toegestaan om te bepalen dat als melding van de claim niet voor faillietverklaring heeft plaatsgevonden, de claim niet tijdig is gemeld.

Maar aan de andere kant is de bescherming van art. 7:954 BW (en art. 7:941 BW!) dwingend. En het hele idee van art. 7:954 BW is nu juist om de vordering van de verzekerde op de verzekeraar veilig te stellen ten behoeve van de benadeelde. Als er eenmaal een vordering is, kan die niet worden vervreemd of beslagen, zodat de benadeelde er van profiteert en bij voorkeur niemand anders. Hier kan het dilemma zijn dat door de vormgeving van de polis de vordering op de verzekeraar helemaal niet ontstaat omdat die ná faillissement ingediend is. En dat terwijl de claim op de verzekerde al wel is ontstaan…

Claims-made dekkingen doen dus de volgende vraag rijzen. Wat gaat voor, de vrijheid van ‘echte partijen’ om de dekkingsomvang in tijd te bepalen, of de redelijke verwachting van benadeelden en de maatschappelijke functie van aansprakelijkheidsverzekeringen?

In andere rechtsstelsels wordt ook geworsteld met dit dilemma dat ‘claims made’ dekking veroorzaakt. In sommige landen is er een wettelijke regeling ingevoerd die duidelijk(er) bepaalt wat wel en niet mag in de polis. Het centrale idee is dat benadeelden niet tussen wal en schip mogen vallen, omdat de verzekeringspolis er maatschappelijk gezien ook voor hen is. Ze zijn dan wel geen ‘echte’ partij maar wel echte belanghebbende. In ons land zal de rechter een oordeel over moeten geven. Ik formuleer maar alvast even de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad: is het gezien het beschermingsdoel en strekking van art. 7:954 BW, in het licht van de redelijke verwachting die benadeelden hebben van verzekeringspolissen, toegestaan om bij aansprakelijkheidsverzekeringen met een ‘claims made’ dekking te bepalen in de polis dat de dekking voor pre-faillissementsclaims eindigt met faillissement van de verzekerde?

Verwijzingen:

  • J. H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering : een hernieuwde beschouwing in het licht van titel 7.17 BW, Deventer: Kluwer 2006
    J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde & F.R. Salomons, Asser Bijzondere overeenkomsten, Deel IX – Verzekering, Deventer: Kluwer 2012
  • J. Spier, Schade en loss occurrence-verzekeringen, Deventer: Kluwer  Recht en praktijk 1998
  • J. Spier & O.A. Haazen, Aansprakelijkheidsverzekering op claims made-grondslag, Deventer: Kluwer 1996

Is een rechter te beledigen?

Voor ons Nederlanders blijft de manier waarop de Engelsen omgaan met de  verhouding tussen rechter en partijen verbazen. Die verhouding komt bijvoorbeeld tot uiting in het leerstuk van ‘contempt of court’. Dat leerstuk is in Engeland nog van dagelijkse betekenis.

Het is bijvoorbeeld van toepassing op het werk van juryleden. Er is recent veel te doen geweest over juryleden die strafrechtelijk veroordeeld werden omdat zij twitterden over beraadslagingen, in hun hotel tussen de beraadslagingen door het verleden van de verdachte googleden of zich op een andere manier hun verplichtingen als jurylid veronachtzaamden. Juryverplichtingen niet nakomen is dus belediging van de rechter.

Contempt of court is ook van toepassing op rechterlijke verboden en geboden (zogeheten ‘injunctions’) in civielrechtelijke zaken. Een rechterlijk vonnis om iets te doen of niet te doen, levert niet zozeer tekortschieten tegenover de civiele wederpartij op, maar vooral tegenover de rechter. Zo werd een rechterlijke ‘super injunction’ om niet de identiteit van een overspelige voetballer te onthullen, krampachtig overeind gehouden met de dreiging van ‘contempt of court’ van eenieder die niet de lippen stijf op elkaar hield. Maar het zal niet verbazen dat de kracht van dergelijke ‘injunctions’ waar iedereen zich aan moet houden (ongeacht of men zelf in de rechtszaak betrokken was) niet heel erg sterk is. In deze tijd van internet en social media is er maar één loslippige twitteraar nodig om het hele fundament onder zo’n uitspraak weg te trekken. In Engeland wordt mede daarom momenteel gewerkt aan herbezinning op ‘contempt of court’, onder leiding van de Law Commission.

Intussen zou bezinning in ons recht op de verhouding tussen rechter en partijen ook nuttig kunnen zijn. Het lijkt er op dat in de Engelse rechtscultuur de idee bestaat dat ontzag voor het rechterlijk ambt afgedwongen moet kunnen worden met sanctionering: het niet-naleven van een rechterlijk gebod is belediging van de rechter. Pragmatische Hollanders zetten op het niet-naleven van dat gebod vooral een prijskaartje: het geeft aanleiding om dwangsommen, te incasseren bij de onwillige door de andere partij. Het toezicht op naleving van rechterlijke uitspraken is dus zoveel mogelijk een zaak van partijen en niet van de rechter.

Ook overigens bestaan er in ons recht maar weinig middelen voor rechters – behalve een boze toonzetting in hun uitspraak – om hun onlustgevoelens mee uit te drukken.

Is dat erg? Vinden we het aanvaardbaar dat een civiele partij die in de procedure bewust onwaarheden vertelt of niet alle gevraagde stukken overlegt, slechts een standje krijgt, de procedure wellicht verliest en misschien tot proceskosten veroordeeld wordt (art. 21 Rv.)? Tillema vindt van niet. Zij bepleit zwaardere sanctionering (zie Rake Remedies (2011), p. 330 e.v.).

Wat te denken van ‘beroepsklagers’ die de tijd van de rechter verdoen met hun juridische ‘stalking’? Moeten die op een zwarte lijst geplaatst kunnen worden of anderszins in ‘quarantaine’ gezet kunnen worden? In uitzonderlijke gevallen misschien wel, aldus Bruijnzeel (zie Rake Remedies (2011), p. 281 e.v.) .

En wat kunnen rechters doen die menen dat partijen hun geschil onderling hadden moeten oplossen? Zoals de rechter die onlangs twee partijen en hun advocaten onder uit de zak gaf: ‘Partijen en in ieder geval hun advocaten moeten zich doodschamen om over dit soort trivialiteiten twee gerechtelijke procedures te voeren’.

Maar meer doen dan boos worden, proceskosten compenseren en eisen afwijzen, kan de rechter niet echt…

Bekwaamheid van tieners: van paternalisme naar autonomie, of andersom?

Het nieuwe jaar begint met een verschuiving van autonomie naar paternalisme: de leeftijdgrens in de Drank- & Horecawet is sinds vannacht verschoven van 16 naar 18 jaar (Stb. 2013, 380, iwtr. Stb. 2013, 457).

Die verschuiving staat niet op zichzelf. Waar het gaat om minderjarigen lijken de opvattingen over autonomie, verantwoordelijkheid en bekwaamheid de laatste jaren nogal te veranderen. Het is alleen niet heel erg duidelijk in welke richting die verandering gaat. Sterker nog: ik kan er geen lijn in ontdekken.

Was handelingsbekwaamheid in het verre verleden voorbehouden aan personen van 23 en later 21 jaar, sinds 1987 is de leeftijdsgrens gesteld op 18 jaar. In bepaalde opzichten wordt die grens van 18 jaar te hoog gevonden en te statisch. Om die reden is sinds 1995 de regeling van handelingsbekwaamheid in art. 1:234 BW zozeer ‘geflexibiliseerd’ dat het niet snel zal voorkomen dat gangbare rechtshandelingen verricht door personen jonger dan 18 jaar vernietigbaar zijn wegens handelingsonbekwaamheid.

Bovendien is er de tendens op sommige gebieden om jongeren méér zelfstandigheid en verantwoordelijkheid te geven. Zo is er in afwijking van de algemene handelingsbekwaamheidsgrens van 18 jaar de regeling van de arbeidsovereenkomst (art. 7:612 BW). Personen vanaf 16 jaar zijn bekwaam om arbeidsovereenkomsten te sluiten. En hetzelfde geldt voor medische behandelingsovereenkomsten (art. 7:447 BW). Een ander voorbeeld is dat van autorijlessen, waar rijlessen vanaf 16 ½ jaar en rijbewijs halen op je 17e bespreekbaar is geworden.

Anderzijds is er een tendens op bepaalde gebieden om jongeren juist langer in bescherming te nemen en af te houden van zelfbepaling. Afgezien van de tendens om de leeftijdsgrenzen voor alcohol- en tabaksgebruik steeds verder op te trekken (is 18 jaar écht het eindstation van die ontwikkeling?) zijn er ook plannen om cosmetische ingrepen niet langer aan personen onder 18 jaar toe te staan (Kamerstukken II 2013/14, 31 765, nr. 79).  En er is een tendens om ouders langer verantwoordelijkheid te laten dragen. Zo is er een initiatief-wetsvoorstel (30 519) dat beoogt de duur van de wettelijke aansprakelijkheid van ouders voor schade toegebracht door hun kinderen (art. 6:169 lid 2 BW) te verlengen tot 18 jaar.

Wie de lijn in dit alles nog kan ontdekken, mag het zeggen. Kennelijk is het concept van bekwaamheid constant in ontwikkeling en meer het resultaat van politieke afweging dan van iets anders. Dat leidt tot versnippering van het concept van autonomie, zodanig dat de vraag opkomt of in de toekomst nog wel plaats is voor één generieke regeling van handelingsbekwaamheid. Misschien moeten we onder ogen zien dat niet langer één concept van handelingsbekwaamheid geldt maar dat afhankelijk van het rechtsgebied, de transactie en de politieke geladenheid van het onderwerp, verschillende leeftijdsgrenzen gelden…

Verwijzingen: