Category Archives: Rechtenopleiding

Zes vragen voor 2018

 Zo aan het eind van 2017 gekomen, ruim ik mijn bureau op. De jaarlijkse opruiming van onafgemaakt onderzoek, notities die zich maar niet lieten afschrijven, stukjes papier met ideeën die briljant leken maar bij nader inzien toch onzinnig bleken, boeken en artikelen die ik écht ging lezen. Allemaal gearchiveerd, afgedaan, opgegeven of weggegooid. Met uitzondering van een aantal vragen die ik in 2017 aan het papier toevertrouwde. Vragen waar geen pasklaar antwoord op leek te bestaan, vragen die bleven fascineren, en – messy-desk-clean-mehelaas – aan het eind van dit jaar nog steeds niet beantwoord zijn. Vragen die vrijwel allemaal gaan over het functioneren van de juridische academische wereld (meer bepaald: het civielrechtelijke hoekje daarbinnen).  Zes van die vragen volgen hierna, inclusief een korte toelichting. Wie weet, vinden ze in 2018 een antwoord.

 

vraag 1: hoe werkt het zoekalgoritme van onze juridische databanken?

Hoe het zoekalgoritme van juridische databanken werkt, is waarschijnlijk voor de meeste juristen onbekend. Zij die van mijn generatie zijn, groeiden op met een kaartenbak en later een hele platte NJ-databank zonder toeters en bellen. En tegenwoordig zullen velen virtuele kaartenbakken gebruiken, die men zelf vult aan de hand van eigen inzichten. Die onderzoek skills zijn dus old school. Die skills veronderstellen veel lees- en selectiewerk aan de hand van de bekende sneewbalmethode: lees, controleer verwijzingen, selecteer, en lees verder. Dat kost tijd. En het is zeker niet altijd accuraat, goed beredeneerd of eenvoudig herhaalbaar. Maar als de volgende generatie juristen alleen maar wat zoektermen intoetst en de bronnen gebruikt die de eerste pagina met treffers ophoest, dan zijn we misschien nog verder van huis. Dan kan een onderzoeker wel mooi objectief rapporteren “ik selecteerde mijn bronnen door de zoektermen x en y in te voeren in databank z”, maar dan weten we nog niet hoe de bronnen precies zijn gevonden en geselecteerd (sterker nog: als persoonlijke profielen meespelen, weten we niet eens of een volgende onderzoeker die precies hetzelfde doet, dezelfde uitkomsten verkrijgt). Ik vrees dat de juridische academische wereld sowieso al ver van huis is geraakt van de beschikbare technische oplossingen; geen idee wie er bij ons onderwijs geeft in de forensische zoeksystemen die advocatenkantoren gebruiken bij due diligence onderzoek. Goed voornemen voor 2018 voor juristen van mijn generatie: cursus volgen om vaardigheden te verbeteren en wellicht ook een begin van begrip van algoritmes te krijgen.

 

vraag 2: heeft iemand al eens de kosten en baten in kaart gebracht van de verantwoordingsmachinerie?

Rotte appels en incidenten leiden in de academische omgeving steevast tot een reflex: meer toezicht, meer verantwoordingsmechanismen, meer gedragscodes, meer papierwerk.  Een Hbo-instelling die ondermaatse diploma’s aflevert, leidt tot indringender visitaties en meer formalisering. Een psycholoog die onderzoeksresultaten verzint, leidt tot meer protocollering, vier- of zelfs acht-ogenprincipes, gedragscodes en misschien uiteindelijk tot een wetenschappers-eed. Een gouden wet: ernstige incidenten in één vakgebied leiden  tot meer op wantrouwen gestoelde verantwoordingsmachinerie bij  andere vakgebieden.  Zo komen elk jaar beleidskwesties langs in rechtenfaculteiten die verzwaring van formaliteiten in onderwijs en onderzoek met zich brengen, zonder dat direct de winsten in termen van kwaliteitsverbetering in beeld komen. Dit soort maatregelen moeten uiteraard worden doorvertaald in mensuren, waar zelden extra middelen voor beschikbaar worden gesteld. Daarmee is niet gezegd dat tegenover deze kosten geen baten staan (sterker nog: van sommige maatregelen is mijn indruk dat ze zonder meer heilzaam zijn),  maar die baten worden mij mijn weten zelden inzichtelijk gemaakt of hard gemaakt. Of dat een ingevoerde maatregel spontaan wordt geëvalueerd aan de hand van de vraag: wat heeft het ons nu eigenlijk gebracht? Toegegeven, dat is ook niet een eenvoudig te beantwoorden vraag, omdat je dan vooral moet gaan bijhouden stamphoeveel incidenten zijn voorkomen door de ingevoerde maatregel. Dat levert niet alleen een epistemologisch probleem op, maar zeker ook een publicitair probleem. Welke faculteit wil de nieuwjaarsborrel beginnen met de mededeling: “het afgelopen jaar heeft onze faculteit voorkomen dat er twee publicaties zijn verschenen die zijn gebaseerd op verzonnen data”, “er zijn 15 proefschriften afgekeurd vanwege het ontbreken van een vraagstelling”, of: “het aantal onterecht gegeven voldoendes bij masterscripties is met 10 procent gedaald”?

 

vraag 3: wapenen we onze studenten wel voldoende tegen de invloed van social media?

Rechtenstudenten zijn niet dom, maar wel menselijk. En dus zijn ze vast verslingerd aan social media en de the circle die dat creëert. Mijn generatie is er niet mee opgegroeid; voor die generatie is het moeilijk in te voelen of je tegenwoordig je pubertijd kunt overleven zonder Facebook account. Het zal wel niet. En als je eenmaal in the circle zit, is het vast moeilijk om eruit te stappen. Als je al je nieuws uit de bubbel haalt (zonder er voor te betalen anders dan met je data; sharing is caring!), kun je dan nog wel kritisch blijven op wat je aangeboden wordt? Vast wel. Maar misschien is hecirclet toch ook goed om te werken aan kritische zin. Als jurist moet je toch de vaardigheid hebben om de waarheid te willen weten, om met enige diepgang naar feiten en met scepsis naar bewijsstukken te kijken. Dat kunnen we in het juridisch curriculum misschien een plaats geven met vakken als ‘bewijs’, ‘forensische vaardigheden’, maar we kunnen ook simpeler beginnen met het aanmoedigen van het lezen van een krant waar je voor betaalt. Natuurlijk, ook een krant is een bubbel. Maar als je er eentje leest waar je voor moet betalen in geld en waarbij je zelf moet bepalen welke berichten je wel en niet leest, bouw je misschien meer aan je kritische zin dan anders het geval zou zijn. Dus misschien moeten we studenten wel aanmoedigen om een saaie krant te lezen die níet alleen maar het gratis nieuws voedt dat past bij wat ze eerder al vraten.

 

vraag 4: waarom hebben we zoveel deeltijdhoogleraren?

Het fulltime gewoon hoogleraarschap (‘ordinariaat’) in de rechtswetenschappen is een verantwoordelijke baan, waarbij eigen kwaliteit van onderwijs en onderzoek natuurlijk leidend zijn maar in toenemende mate ook de vaardigheid om de directe omgeving te organiseren, enthousiasmeren en tot nóg betere prestaties te brengen. Dat is, als je het goed beschouwt, best wel veel gevraagd. Zelden verenigt één hoogleraar al die eigenschappen in gelijke mate. Ook daarom is het runnen van een faculteit teamwork. Wat mogelijk problematisch is, is de plaats die daarbinnen ingenomen wordt door deeltijdhoogleraren met een hoofdbetrekking elders ‘in de praktijk’. Studenten vinden het uiteraard geweldig om een professor te hebben die met de voeten in de klebalance-1300334_960_720i staat en in het dagelijks leven advocaat of iets dergelijks is. Toch heb ik mijn bedenkingen bij het grote aantal deeltijdaanstellingen van hoogleraren met een praktijkprofiel die elders hun hoofdbetrekking hebben. Allereerst ben ik niet overtuigd van het academisch nut van de ‘praktijkprofessor’, als dat iemand is die aangesteld wordt om te doceren op een bepaald praktijkgebied, maar van wie niet gevraagd wordt om ook academisch hoogstaande publicaties te realiseren en de wetenschappelijke beoefening van het betreffende vakgebied op een hoger plan te brengen. Als ik mij morgen meld bij een groot advocatenkantoor om daar ‘theorie-maat’ te worden, word ik denkelijk toch ook gewoon weggestuurd? Dus: het professoraat verplicht tot méér dan goed onderwijs. In de tweede plaats lijkt mij de combinatie van advocatuur en hoogleraarschap gewoonweg erg zwaar. Dus is het eigenlijk heel begrijpelijk als dergelijke hoogleraren niet veel verder komen dan – onaardig gezegd – naar binnen rennen om hun colleges te geven en weer weg rennen om hun clientèle te bedienen.

Om misverstanden te vermijden, een facultair beleid dat plaats biedt aan deeltijdaanstellingen van praktijkdocenten, lijkt mij zeer goed. Voltijdse wetenschappers zoals ik zitten minder dicht op het vuur en missen dus belangrijke informatie en inzichten die praktijkdocenten wél hebben. Sommige vakgebieden zijn inmiddels zo specialistisch dat alleen een paar wetgevingsjuristen, advocaten en rechters nog begrijpen hoe ze in elkaar zitten; als die vakken wilt doceren, dan moet je praktijkmensen in je docentencorps hebben. En de interactie tussen academie en rechtspraktijk kan alle betrokkenen verrijken. Maar soms betrap ik me wel op de wens dat de hoogleraarstitel idealiter weer wordt gereserveerd voor de waterdragers, de pijlers van onderwijs, onderzoek én bestuur, dus voor de de (min of meer) voltijdse ordinarii.  De praktijk op rechtenfaculteiten is anders, en vermoedelijk is dat mede te verklaren uit het feit dat deeltijdhoogleraren met een hoofdbetrekking ‘in de praktijk’ niet warmlopen voor een aanstelling zonder die professorstitel. Als je díe partners aan je wilt binden, moet je vermoedelijk al wat sneller met de professorstitel wapperen. Mijn vraag is: moeten we dat niet wat minder vaak doen?

 

vraag 5: mogen raadsheren in de Hoge Raad wel een Asser-deel bewerken?

Voor civilisten is de Asser-serie een toonaangevende boekenreeks waarin het geldende Nederlandse burgerlijk recht is weergegeven. Wie kan beter het geldende recht weergeven dan auteurs die dicht bij de bron zitten? En in onze wetenschapstak is er al sinds mensenheugenis grote vervlechting van praktijk en wetenschap, dus is het heel logisch dat juristen die bijvoorbeeld werkzaam zijn als raadsheer in de Hoge Raad (of als rechter, advocaat of wetgevingsjurist etc.) auteur zijn van delen in die serie.  Ja en nee. Denk aan raadsheer Eijsell, die niet alleen zijn denkbeelden in de arresten Singer en Zutphense waterleiding neerlegde maar zich ook in geschrift verzette tegen de andersdenkende Molengraaff en het wetsontwerp Regout 1911. Naar huidige maatstaven zou het waarschijnlijk niet gepast zijn als een President van de Hoge Raad zich zo zou uitspreken tegen innovatie in het recht. Gelukkig zijn de tegenwoordige raadsheren (v/m) van de civiele kamer stuk voor stuk verstandige mensen die zich wel meer daA.Ph.T. Eijsselln twee keer bedenken voordat ze zich zo kras uitlaten als Eijssell, maar het geeft wel food for thought. Zou Eijssell bewerker van een Asser-deel zijn geweest, dan zouden zijn opvattingen inderdaad geldend recht weergeven (tot uiterlijk 1919). Als men echter meent dat een Asser-deel niet louter positiefrechtelijke bespiegelingen moet bevatten maar ook dienstig moet zijn aan duiding, richting en discours om beter recht te bereiken, dan zijn dubbelrollen misschien minder verstandig.  Ik ben er niet over uit wat verstandig is – houdt het op bij de Hoge Raad of moeten hoogleraren die rechter-plaatsvervanger zijn,  zich ook bezinnen op hun dubbelrol? En wat te denken van advocaten die én deeltijdhoogleraar, plaatsvervanger én bewerker zijn?

 

vraag 6: waarom ontbreekt bij onderwijshypes vaak een onderbouwing?

Wanneer men lang in het juridisch onderwijs meedraait, ziet men op een gegeven moment een patroon, namelijk dat van de hypes op het vlak van onderwijsvernieuwing. De ene onderwijsvernieuwing kwam en ging, en alras kwam een nieuwe poging er voor in de plaats. Sommige initiatieven leken kansrijk maar straalden faliekant, andere waren onverwacht succesvol. Wat ze vrijwel allemaal gemeen hadden, was dat de empirische onderbouwing ervan gebrekkig was. Daarom kan ik me goed voorstellen dat de oude rotten in het vak inmiddels een beetje korzelig worden als er wordt geroepen dat we in het juridisch onderwijs dit te veel doen, dat te weinig, dat we niet goed voorbereiden op zus, niet ernstige aandacht hebben voor zo. Aansprekende ideeën zijn er natuurlijk genoeg. We moeten meer MOOCS doen. We moeten minder massale hoorcolleges doen. We moeten flipping the classroom doen. We moeten studenten beter voorbereiden op de praktijk. We moeten ze wetenschappelijker opleiden. We moeten ze meer multidisciplinair opleiden. En ze moeten allemaal T-shaped zijn.

De laatste hype is die van de visualisatie. We moeten onze studenten de kunst van het visualiseren bijbrengen. Maar waarom eigenlijk? Omdat iedereen youtube kijkt, poezenplaatjes liket en de praktijk ook met schema’s werkt? Mijn ervaring is dat gevorderde studenten over het algemeen prima Powerpoints weten te maken met een logische verhaallijn, die is afgestemd op het publiek waar ze voor spreken. Zou dus best kunnen dat ze ook goed in staat zijn een Venn diagram of stroomschema te maken waarin ze een bepaald juridisch domein uiteenzetten. En als ze inderdaad daartoe in staat zijn (laten we het onderzoeken!), waarom moeten we het dan nog aanleren? Wellicht is een plausibele hypothese dat de vaardigheid om zinvol te visualiseren een resultante is van de vaardigheid om informatie te analyseren, samen te vatten, te modelleren en vervolgens de kern te presenteren. In het juridisch metier is daar allereerst voor nodig dat je in staat bent om je door een grote hoeveelheid ongestructureerde informatie heen te werken. Mijn vraag zou dus zijn wat het probleem is dat het aanleren van visualisatie gaat verhelpen. Of, in beeld uitgedrukt:

visualisatie

visualisatie en wat eraan voorafgaat…

Overigens: ik ben een groot fan van visualisatie. Sterker nog: in het juridisch onderwijs visualiseert menig docent zich helemaal suf. Maar ik nog maar weinig zinvolle en in een juridische opleiding toepasbare wetenschappelijke literatuur weten te vinden die de didactische kosten en baten van concrete visualisering in onderwijsmateriaal op een rij zet. Wanneer is bijv. een studieboek te visueel of te weinig ingericht? Sommige studieboeken in het recht zijn te saai voor woorden, maar in psychologie komt men vaak juist studieboeken tegen met meer bling dan een kerstboom: een oogverblindende parade van kadertjes, plaatjes, diagrammen en wat niet meer. Bij mijn weten is het kernpunt dat de didactische literatuur eenstemmig vooropstelt, is dat elk individu een andere manier van leren heeft en dat daarom vooral variëren van de manier van aanbieden van kennis de kans vergroot dat je die individuen bereikt.  Daar komt bij dat als we ruimte in het curriculum willen bieden aan visualisatievaardigheden, er iets anders moet sneuvelen. Zeg maar wat eruit kan en hoe de nieuwe plannen bekostigd gaan worden! Kortom, laten we afspreken dat de eerstvolgende die komt met een leuk idee voor zinvolle en kansrijke onderwijsvernieuwing, dan graag de volgende zaken toevoegt:  1) wat is exact uw analyse, wat is het doel, en waarom denkt u dat het door u voorgestelde idee het gesignaleerde probleem gaat oplossen?  2) hoe denkt u ervoor te zorgen dat uw plannen goed uitvoerbaar zijn gezien het curriculum en de bekostiging van rechtenfaculteiten? 3) er moet ook vakinhoud en andere vaardigheden worden gedoceerd. Hoe denkt u in overleg met uw collega’s de schaarse studiepunten te verdelen?

Nog meer vragen?

In 2017 werden er de nodige vragen gesteld over de juridische academische wereld. Bijvoorbeeld vragen die gaan over integriteit, schijn van verstrengeling van belangen en oneigenlijke beïnvloeding, over kwaliteitszorg en ‘het eigene’ van de rechtswetenschap. Dat zijn belangrijke vragen waar we het ongetwijfeld ook in 2018 over zullen hebben.  En misschien kunnen de zes vragen die hierboven staan, dan ook worden meegenomen in het debat.

 

Door meten tot weten – Over rechtswetenschap als kruispunt

Op 22 mei 2015 sprak ik mijn Leidse oratie uit: ‘Door meten tot weten’ – over rechtswetenschap als kruispunt. Ik vond het een bijzonder leuke dag, natuurlijk in de eerste plaats vanwege de aanwezigheid van en het weerzien met veel collega’s, vrienden en familie. Maar ook omdat ik in mijn oratie een aantal ideeën over de (privaat)rechtswetenschap mocht delen met het publiek. Inmiddels is de gedrukte versie van de oratie uitgebracht. Ik vat hier de hoofdlijnen van het betoog samen.

van boom oratie 2015

Van meting naar uitdaging

De titel ‘Door meten tot weten’ verwijst naar de lijfspreuk van natuurkundige Heike Kamerlingh Onnes. Zijn borstbeeld met lijfspreuk staat voor het Kamerlingh Onnes gebouw, waar inmiddels de Leidse rechtenfaculteit gevestigd. Hoe verhoudt die lijfspreuk ‘door meten tot weten’ zich tot het werk dat wordt verricht op rechtenfaculteiten? Die vraag is niet eenvoudig want het is geen evidentie dat een rechtenfaculteit zich afficheert als bolwerk van exactheid. Juristen houden zich immers vooral bezig met taal, tekst, systematisering, logische argumentatie, overtuiging en een betere wereld. Zij postuleren normen, debiteren tegeltjeswijsheden, argumenteren met verwijzing naar rechtssysteem, wet, rechtspraak, literatuur; maar zelden zie je ze meten of verwijzen naar systematische waarneming. Dus wat gebeurt er als we op rechtenfaculteiten gaan meten? In mijn oratie stel ik vast dat rechtenfaculteiten ‘kruispunten’ van verschillende wetenschapsopvattingen zijn. Dat gegeven heeft consequenties waar rechtswetenschappers antwoorden op moeten formuleren. Ik belicht een aantal van de uitdagingen die rechtswetenschappers – en dus ook privaatrechtswetenschappers – daarbij te wachten staan.

Rechtenfaculteiten als kruispunt van wetenschapsopvattingen

Rechtswetenschap is wetenschap omdat zij meer wil dan weetjes genereren: ze streeft plaatsing, duiding, categorisering, vergelijking, verklaring, voorspelling en richting na. Maar over de vraag wat zinvolle kennis is en hoe die nagestreefd moet worden, bestaan onder rechtswetenschappers – in mijn definitie dus al het wetenschappelijk personeel op onze rechtenfaculteiten – heel uiteenlopende ideeën. Soms zijn die ideeën rudimentair, intuïtief, impliciet. Maar soms ook uitgewerkt, uitgesproken en met de pretentie van een ‘school’. Kijken we op deze manier rond in onze rechtenfaculteiten, dan zien we al snel dat er op dat kruispunt niet alleen de bestudeerders van geldend recht staan maar ook een flink aantal theoretici, filosofen, sociologen, psychologen, criminologen, antropologen, politicologen, bedrijfswetenschappers, historici, bestuurskundigen, economen, praktizijns en wat al niet meer. Rechtenfaculteiten – en daarmee rechtswetenschap – zijn kruispunt van wetenschap

Bewijs

Het bewijs voor de juistheid van deze stelling vind ik in de literatuur, maar ook in empirisch onderzoek. De uitkomsten van de landelijke enquête ‘Rechtswetenschappelijk onderzoek’ van Van Gestel en mijzelf tonen aan dat sprake is van een kruispunt. Uit die enquête kunnen we afleiden dat de mate waarin een rechtswetenschapper affiniteit heeft met de sociale wetenschappen, praktijkgericht onderzoek en tot de humaniora, te meten is. Elke rechtswetenschapper kan zich meer of minder aangetrokken voelen tot elk van deze drie richtingen. De getallen wijzen uit dat ongeveer 68% van de respondenten zich aangetrokken voelt totkruispunt de humaniora, 66% tot de sociale wetenschappen en 75% tot praktijkgerichtheid. Dat is interessant: de meerderheid wil zich dus niet voor één karretje laten spannen. Individuele respondenten kunnen dus in verschillende richtingen kijken vanaf dat kruispunt, en dat doen ze dan ook.

Stellingname

Deze uitkomst leidt voor mij tot een normatieve stellingname. Een kruispunt van wetenschappen moet blijven werken aan de eigen identiteit. Juist omdat het een kruispunt is en er vele wegen van en naar het kruispunt voeren, staat de rechtswetenschap elke dag bloot aan invloeden van buiten en is die identiteit en de bearbeiding daarvan aan de orde van de dag. Rechtswetenschap is niet humaniora, niet sociale wetenschappen en ook niet louter praktijkgericht. Niet alleen het object van de rechtswetenschap is specifiek, maar ook de methoden en het doel waarmee deze gebruikt worden – hoe impliciet, rudimentair en onvolkomen soms ook – zijn eigen aan die wetenschap. Het eigene is echter nog steeds niet goed genoeg geëxpliciteerd en wij doen er verstandig aan daar meer werk van te maken.

Citaties meten

In mijn oratie diep ik vervolgens één thema verder uit, dat van de bronverwijzingen (naar het Engelse ‘citations’ soms ook wel ‘citaties’ genoemd, maar dan niet als in: letterlijk citeren). In veel andere wetenschappen is een gangbare manier om de kwaliteit van onderzoek te meten, het tellen van verwijzingen naar wetenschappelijke publicaties in latere publicaties. Dat meten gebeurt dan ook in allerlei varianten, met allerlei wegingsfactoren en in heel veel verschillende vormen, maar de basis van al die bibliometrie blijft: meten.

In de rechtswetenschap is dat niet gebruikelijk. Dat heeft voor- en nadelen. Wij juristen worden niet gegeseld of gegijzeld door citatiescores, impactfactoren en wat dies meer zij. Wij denken dat we kwaliteit herkennen als we deze zien. Toch is er druk van buitenaf om ook aan tellen en turven van citaties te gaan doen. Ik bepleit dat het zaak is om als rechtswetenschap eerst gedeelde normen en meetinstrumenten te ontwikkelen die recht doet aan het kruispuntkarakter van de rechtswetenschap. Want het meten van aantallen verwijzingen is zo gek nog niet; het kan een goed onderdeel zijn van onze kwaliteitshuishouding, maar het is ook niet het alfa en omega.

Ideaal en werkelijkheid

In een ideale wereld hanteren volledig ingelichte rechtswetenschappers duidelijke en relevante verwijzingsregels; daarin zijn verwijzingen het bewijs dat je werk anderen aan het denken zet, dat het navolging vindt of tot tegenspraak leidt. Men moet die verwijzingen begrijpen als intersubjectief kwaliteitskeurmerk. Dat ideaalbeeld is ook de grondslag van het meten van verwijzingen in andere wetenschappen. Maar in werkelijkheid, zo blijkt keer op keer uit onderzoek in die andere disciplines, zijn de redenen waarom wel of niet verwezen wordt naar een publicatie, veel complexer of minder eenduidig terug te voeren op de inhoudelijke kwaliteiten van het stuk waarnaar verwezen wordt.

Werk maken van gedeelde opvattingen

In de rechtswetenschap is het niet anders, vermoed ik. Dus als we nu opeens citaties gaan tellen, weten we eigenlijk niet goed wat we meten. Rechtswetenschappers zijn het in abstracto misschien eens over uitgangspunten zoals: toon dat je weet welke bronnen belangrijk zijn door de meest gezaghebbende bronnen te citeren, los je schuld in aan de auctor intellectualis door de originele bron te citeren, toon dat je het veld beheerst coverdoor de meest recente bronnen te citeren, laat geen bronnen weg wanneer ze je onwelgevallig zijn, en zo verder. Maar die uitgangspunten leiden naar mijn indruk niet tot een scherpe en gedeelde citatiecultuur. En omdat we kruispuntwetenschap zijn, zijn er invloeden van andere citatieculturen in onze faculteiten te bespeuren. Zo maakt het al een wereld van verschil of men met voetnoten werkt of met verwijzingen in de hoofdtekst. Beide vormen komen voor op het kruispunt. Om het onaardig te zeggen: als het gaat om verwijzen, doen we maar wat, expliciteren we niets en vertellen we onze studenten ook maar half wat ze moeten doen. Ik denk dan ook – maar ik zou het graag uitgezocht zien voor de rechtswetenschap – dat verwijzingen slechts voor een deel een goede weerspiegeling zijn van het onderzoeksproces, en voor een deel vooral de later (lukraak) aangebrachte steunstempels. In mijn oratie illustreer ik de juistheid van dit standpunt aan de hand van een analyse van de citaties van mijn eigen werk door anderen. In het bijzonder analyseer ik verwijzingen in de literatuur naar mijn Tilburgse oratie uit 2003. Die analyse brengt mij tot de aanbeveling om meer werk te maken van gedeelde opvattingen over verwijzingen en het verkennen van de voordelen van dat wat technisch mogelijk is. Het ontwikkelen en testen van een Leidraad Rechtswetenschappelijke bronnenverwerking en verwijzingsvormen, voor onderzoekers maar zeker ook voor studenten, hoort daar ook bij.

wordle

De piramide van de Kazernestraat

In de wetenschap worden verwijzingen naar het werk van anderen wel gezien als teken van ‘impact’. In de rechtswetenschap wordt niet alleen verwezen naar het werk van andere auteurs, maar ook naar rechterlijke uitspraken. Van een rechterlijke uitspraak waar veel naar wordt verwezen in het juridisch debat, wordt wel gezegd dat deze ‘autoriteit’ heeft. Een uitspraak met (blijvende) impact dus. Dat verwijzen gebeurt in wetenschappelijke publicaties waarin rechtspraak wordt geanalyseerd, maar het gebeurt eigenlijk ook in het onderwijs. Want in het juridische onderwijs moeten studenten rechterlijke uitspraken bestuderen, analyseren en kunnen toepassen op nieuwe casus. Bij civielrechtelijke vakken in de bacheloropleiding worden bijvoorbeeld veel uitspraken (arresten) van de Hoge Raad voorgeschreven. Dat gaat om verplichte vakken als inleiding privaatrecht, verbintenissenrecht, goederenrecht. Bij die vakken is het voor studenten van belang om kennis te hebben van de belangrijkste arresten, bijvoorbeeld omdat ze baanbrekend zijn, invulling en zin geven aan wettelijke normen en de rechtsontwikkeling vormgeven. Maar zijn het op Nederlandse faculteiten ook allemaal dezelfde arresten die worden voorgeschreven? Nou nee, niet echt. Dat bleek mij althans toen ik onze rechtenfaculteiten vroeg om een overzicht van de voorgeschreven vermogensrechtelijke rechtspraak. Ik doe hier kort verslag van wat ik noemen wil ‘de piramide van de Kazernestraat’. Verderop zal duidelijk worden wat ik daar mee bedoel. Er worden aan acht Nederlandse rechtenfaculteiten in totaal 400 vermogensrechtelijke arresten voorgeschreven. Het gaat overwegend om arresten van de Hoge Raad. Een zeer klein aantal uitspraken van lagere rechters en HvJEU is ook meegenomen in de telling. Laten we eens wat feiten op een rij zetten: acht rechtenfaculteiten schrijven in totaal 400 vermogensrechtelijke arresten voor. De oudste uitspraak is van 1905 en de nieuwste van 2014. Er worden veel nieuwere uitspraken voorgeschreven (mean: 1997).

jaartallen tabel

verdeling in jaartallen van de 400 arresten.

Maar niet alleen de verdeling in jaartallen is scheef. Ook de spreiding qua aantallen ‘citaties’ in het voorgeschreven studiemateriaal is scheef. Van de 400 arresten wordt slechts 36% op meer dan één faculteit tegelijk voorgeschreven. Slechts 50 worden voorgeschreven op vier of meer faculteiten. En de top wordt snel smaller: er zijn slechts 15 arresten die de tand des tijds overleven en op zes of meer faculteiten worden voorgeschreven, slechts vier arresten die op zeven faculteiten en slechts twee arresten die op acht faculteiten voorgeschreven zijn: Kelderluik en Haviltex. De ‘citaties’ zijn dus piramidevormig. Vandaar dus ‘de piramide van de Kazernestraat’. De top van de piramide ziet er als volgt uit (de 30 hoogst genoteerde arresten):

aantal faculteiten dat het arrest voorschrijft naam arrest jaartal
8 HR Kelderluik 1965
8 HR Haviltex 1981
7 HR Jansen/Jansen 2000
7 HR CBB/JPO Projecten 2005
6 HR Baris / Riezenkamp 1957
6 HR Tandarts 1958
6 HR Bunde/Erkens; Misverstand 1976
6 HR Hofland/Hennis 1981
6 HR Dépex/Curatoren van Bergel e.a. 1991
6 HR Portacabin 1997
6 HR Geurtzen/Kampstaal 1999
6 HR Kinheim/Pelders 2000
6 HR Bramer/Hofman 2002
6 HR Oryx/Van Eesteren 2004
6 HR Pensioenfonds DSM/Fox 2004
5 HR Blaauboer/Berlips 1905
5 HR Booy/Wisman 1966
5 HR Pos/Van den Bosch 1967
5 HR Hoogovens/Matex 1979
5 HR Plas/Valburg 1982
5 HR Breda/Antonius 1990
5 HR Van Geest/Nederlof 1990
5 HR Mulder q.q./CLBN 1995
5 HR Mol c.s./Meijer Beheer 2000
5 HR Oerlemans/Driessen 2001
5 HR Taxibus 2002
5 HR Endlich/Bouwmachines 2004
5 HR Jetblast 2004
5 HR Nefalit-Karamus 2006
4 HR Saladin/HBU 1967

Als we ons die 400 arresten voorstellen als een piramide, waarbij de top bestaat uit ‘de meest geciteerde arresten’ – de door acht faculteiten voorgeschreven arresten – en de bodem uit de arresten die slechts door één faculteit worden voorgeschreven, dan kunnen we constateren dat slechts heel weinig arresten de top bereiken. Kennelijk produceert de Hoge Raad als ‘veelschrijver’ slechts enkele uitschieters die veel ‘verwijzingen’ opleveren; het gros wordt slechts door weinigen aangehaald en bereikt niet de top van de piramide. Oudere arresten die niet gesneuveld zijn op de overlevingstafel, maken grotere kans om op meer dan één faculteit te worden voorgeschreven dan jongere arresten (correlatie tussen leeftijd van het arrest en het aantal ‘citerende’ faculteiten; : R = – 0.194, n= 400, p<0.001). Ik zou dat een maat voor impact noemen: de blijvende waarde van een gerijpt arrest. piramide Wat vertelt ons dit nu? Ik noem een tweetal gedachten die bij mij opkomen. Allereerst: we associëren ‘autoriteit’ met anciënniteit: de oude arresten hebben blijvende impact, anders zouden ze niet (meer) voorgeschreven worden. Maar als meting uitwijst dat twee arresten van na 2010 er uit springen omdat zij nu al op vier faculteiten worden voorgeschreven (Lundiform en Intergamma), is dat dan niet ook een maat voor impact? arresten oud en nieuw In de tweede plaats:iedereen die iets weet van vermogensrecht zal begrijpen waarom Kelderluik en Haviltex zo belangrijk worden gevonden. De meting levert in dat opzicht dus een evidentie op. Maar misschien is de meting juist belangrijker om objectief inzichtelijk te maken dat arresten X, Y en Z niet door iedereen belangrijk worden gevonden. Sterker nog: elke faculteit heeft eigen ‘favorieten’. Er bestaat geen ‘landelijk overleg’ voor het voorschrijven van arresten en het bestaan van de top-tien van meest voorgeschreven arresten duidt dus op een kleine kern van gedeelde motieven voor het voorschrijven. Maar voor het merendeel van de gevallen hanteren we als docenten vanuit onze eigen ervaring en voorkeuren een eigen ‘beleid’ om arresten wel of niet voor te schrijven. En laten we wel wezen: één verwijzing is geen verwijzing…


 Verwijzingen

  • Nadere literatuur: W.H. van Boom, ‘Door meten tot weten’ – over rechtswetenschap als kruispunt, oratie Leiden 2015 (te verschijnen bij BJu)
  • Met dank aan de verschillende rechtenfaculteiten voor het verstrekken van de informatie en aan Janna Vermolen voor dataverwerking

Hoe ziet de wereld er uit zonder ‘civiel effect’?

Hoe ziet de wereld er uit zonder civiel effect?  

Het blijft tobben met de reputatie van de Nederlandse universitaire rechtenopleidingen. In 2010 opende toenmalig deken Bekkers de aanval: rechtenopleidingen zijn flinterdun, te eenvoudig, te nationaal en ze hebben nauwelijks enige relatie met wat er in de maatschappij gebeurt. Daarna was er prof. Ahsmann (NJB 2011/28, p. 66-70) die de rechtenfaculteiten van wanprestatie betichtte: faculteiten maken hun eigen eindkwalificaties niet waar, want  de aangeboden opleidingen worden gekenmerkt door onvoldoende verband, doelgerichtheid en zicht op gehanteerde kwaliteitsnormen. Het gevolg is dat rechtenfaculteiten studenten afleveren die niet aan de wettelijk geformuleerde minimumeisen voldoen.

Die wettelijke eisen worden ook wel de ‘civiel effect’ eisen genoemd. Alleen als men een meesterstitel heeft verworven op basis van een bepaald universitair vakkenpakket, heeft men de basiskwalificatie die nodig is om – na verdere vervolgscholing – het tot advocaat of rechter te schoppen. Dat ‘civiel effect’ kan alleen worden bereikt door het behalen van een meesterstitel aan een van de tien Nederlandse rechtenfaculteiten. Die faculteiten hebben dus een monopolie als ‘hofleverancier van togadragers’. En volgens Ahsmann en Bekkers leveren die faculteiten broddelwerk. Niet leuk om te horen wanneer je, zoals ik, al twintig jaar lang behoorlijk rechtenonderwijs dacht te geven.

En recentelijk was er nog een rimpeling in de vijver. In een interessant commentaar van Leo van der Wees in NRC werd gewezen op een uitlating van Martijn Snoep, topadvocaat bij een topkantoor, die had geopperd dat slimme afgestudeerden van welke opleiding dan ook tot de advocatenopleiding toegelaten zouden moeten kunnen worden. Dus, zo vat ik het maar even samen, niet langer een monopolie van rechtenfaculteiten als hofleverancier van togadragers. Ik kan in gedachten sommige rechtendecanen al van kleur zien verschieten bij het idee dat advocatenkantoren ook elders zouden kunnen winkelen (klik hier voor twee voorbeelden). Dat zou namelijk kunnen betekenen dat zij niet langer in een overzichtelijk speelveld zouden opereren met negen concullega’s. Overigens denk ik dat menig advocaat ook van kleur zou verschieten bij de vergelijkbare gedachte dat het procesmonopolie van advocaten geheel opgeheven zou worden – het idee van volledige competitie is nu eenmaal beangstigend als men er niet in opereert.

De geluiden van Ahsmann en Snoep staan niet op zichzelf. Iedereen heeft wel wat te klagen over rechtenfaculteiten. Toch lijken de geopperde oplossingsrichtingen nogal te verschillen. Ahsmann lijkt te suggereren dat een langere opleidingsduur, en dus meer overheidsinvestering, de oplossing kan bieden, en dat we zo weer echte ‘hogepriesters’ van het recht kunnen maken van onze jonge juristen. Snoep lijkt juist te suggereren dat opheffing van het monopolie en dus het vergroten van concurrentie tussen rechtenfaculteiten en andere opleidingen de sleutel tot succes is, althans de sleutel tot oplossing van het probleem van zijn topkantoor. Pleidooien voor meer overheidsgeld voor een opleiding tot hogepriester zijn weinig realistisch. In deze bijdrage kijk ik daarom vooral naar de suggestie van Snoep; die kost de overheid niets.

Vreemd of slecht?

Is het idee dat Snoep oppert vreemd of slecht? Vreemd is het niet. In Engeland is een LLB opleiding helemaal niet nodig om toegelaten te worden tot de advocatuur; een praktijkgerichte schakelopleiding volstaat, ook als men een Baccalaureate in Arts heeft. Zo heb ik van een Engelse collega wel eens begrepen dat het in Engeland niet ongebruikelijk is dat advocatenkantoren werven onder afgestudeerden in social sciences en humanities. Liever een afgestudeerde geschiedkundige met first class honours dan een afgestudeerd jurist met second class honours. In beide gevallen moeten ze toch verder opgeleid worden en moet ze alle kneepjes van het vak worden bijgebracht.

Maar dat zoiets in Engeland werkt, is geen garantie voor succes in de Lage Landen. Het lijkt mij in elk geval onverstandig om dat Engelse concept zonder nadenken te willen transponeren naar ons land. De wettelijke status en bescherming van opleidingen, titels en markten voor juridische dienstverlening verschillen namelijk nogal. Het transponeren van een Engels idee naar Nederland kan alleen werken als dat past in de context. Dit is niet de plek om alle relevante verschillen tussen beide landen te benoemen, dus ik volsta met het noemen van een paar markante verschillen om een indruk te geven: in Engeland moeten rechtenopleidingen concurreren met andere opleidingen, maar tegelijk mogen zij ook selecteren op middelbareschoolcijfers. Daardoor is een situatie van concurrentie en grote reputatieverschillen tussen rechtenfaculteiten ontstaan: een diploma van de rechtenopleiding van Durham wordt anders gewaardeerd dan van Bradford. In ons land zegt de herkomst van het diploma vrij weinig over de capaciteiten van de afgestudeerde, zo durf ik wel te stellen. De schaalverschillen tussen beide landen zijn bovendien aanzienlijk: op een Engelse bevolking van ruim 50 miljoen bestaan er ongeveer 100 rechtenfaculteiten (dat is dus 1 rechtenfaculteit per 500.000 inwoners), en op onze bevolking van krap 17 miljoen zijn dat er welgeteld 10 (en dat is 1 faculteit per 1,7 miljoen inwoners). De staf/student ratio is dus beter daar, en onze schaal hier is groter. Mijn indruk is dus dat wij hier meer doen voor minder geld. Bovendien vermoed ik dat het geen toeval is dat een maatschappij van rangen en standen als de Engelse een zo concurrerend model van rechtenonderwijs kent. Het contrast met onze rechtenopleidingen, die voor een goed deel emancipatoire opleidingen zijn die worden aangeboden door tien oligopolistische staatsinstellingen met weinig onderscheidende kracht, kan eigenlijk niet groter zijn.

Het idee van Snoep is dus niet vreemd, omdat het elders ook gebeurt. Maar dat zegt vrij weinig over de bruikbaarheid in de Nederlandse context. Is het idee van Snoep slecht? Laat ik vooropstellen dat ik het een interessante gedachte vind om rechtenfaculteiten het ‘civiel effect-monopolie’ te ontnemen. Ik weet alleen niet welk probleem dat nu exact oplost en welke effecten daarvan zijn te verwachten. Eerst maar eens een analyse maken van het probleem voordat we aan oplossingen denken.

Ik vermoed dat het probleem is dat topkantoren niet de personen kunnen aantrekken met de vaardigheden die ze zouden willen hebben. Dat verbaast me niet, want – om het onaardig te zeggen – rechtenfaculteiten verdienen hun brood niet met het opleiden tot topadvocaat. Decennialang heeft de overheid ingezet op het opkrikken van het aantal academisch geschoolden en de rechtenopleiding is een van de vehikels waarmee dit beleid gerealiseerd is. Met het afschaffen van het ingangsvereiste van een gymnasiale opleiding in de jaren 60 heeft de rechtenopleiding zich ontwikkeld van een elitaire naar een emancipatoire opleiding. Het doel werd om de massa te verheffen (Hoger Onderwijs voor Velen, noemt Blom dat), veel diploma’s tegen lage kosten te produceren, en voor universiteitsbesturen verschoof het accent allengs meer naar de rechtenfaculteit als een brede en per saldo winstgevende kurk. Rechtenopleidingen zijn de afgelopen veertig jaar dus helemaal niet bezig geweest met het opleiden van de elite voor topkantoren. Ze zijn ook lange tijd helemaal niet bezig geweest met het aantrekken van de beste studenten maar vooral met het aantrekken van de meeste studenten. Bijgevolg belanden veel afgestudeerden helemaal niet in een toga (laat staan bij een topkantoor), maar vervullen tal van maatschappelijk gewaardeerde functies. Functies die mogelijk niets met het rechtendomein te maken hebben. Dus als rechtenfaculteiten zich vanaf morgen alleen zouden richten op het topsegment togadragers (als we al zouden weten waar we dan bij toelating op moeten selecteren), dan betekent dat aanzienlijk minder studenten, minder staf en uiteindelijk minder faculteiten.

Aan de maatschappelijke winst van een breed toegankelijke meesterstitel kleven natuurlijk ook keerzijden. Een emancipatoire opleiding mag niet selecteren en trekt vanwege de breedte ook studenten aan die men niet moet willen aantrekken, zoals minder gemotiveerde of niet-talige studenten. En laten we wel wezen: van de rechtenstudenten die van het VWO komen (ong. 80%) is het gemiddelde middelbareschool-cijfer niet hoog (zie: OCW Studentenmonitor). Rechtenopleidingen hebben lange tijd geen effectieve strategie gehad wat betreft deze nadelen. Dat is geen onwil of onkunde, maar gewoon het gevolg van bestuurlijke realiteit. Selecteren van studenten bij de poort op middelbareschoolcijfers is in een egalitaire samenleving een lastig punt (ziedaar al een groot verschil met Engeland). Universiteitsbesturen hebben er kennelijk ook onvoldoende belang bij gehad om naar een op excellentie gerichte rechtenopleiding te streven, en tegenwoordig wordt het wegsturen van studenten met een bindend studieadvies eerder ‘geframed’ als het vernietigen van een lopende investering dan als de sanctie op onderpresteren of als vaststelling dat de betrokken student gewoon verkeerd gekozen heeft.

Rechten als brede opleiding

Rechtenstudenten zijn er in alle soorten en maten: talentvolle en ongetalenteerde, luie en hardwerkende, sociaal handige en onhandige. Sommigen zijn gedreven om bij een topkantoor advocaat te worden. Anderen durven niet verder te dromen dan de dag van de diploma-uitreiking. De meest passende kritiek die rechtenfaculteiten zich kunnen aantrekken is dat zij lange tijd geen enkele poging ondernamen om hun beste studenten in de etalage te zetten, zodat zoekkosten voor topkantoren en rechterlijke macht hoog waren. Zie maar eens die ene getalenteerde student te ontdekken tussen de massa. Dát etaleren is een taak van rechtenfaculteiten die realiter vervuld kan worden binnen de bestaande kaders. We kunnen niet alleen maar toppers afleveren, omdat we niet alleen maar toppers binnenkrijgen en we de boel wel draaiende moeten zien te houden.

De vraag is of het beeld heel erg verandert als de suggestie van Snoep zou worden gevolgd. Wat zou er gebeuren als de wettelijke monopoliepositie van rechtenfaculteiten zou verdwijnen? Ik durf daar geen harde uitspraken over te doen, dus laat ik volstaan met speculatie. Zou het wegnemen van het civiel effect-monopolie tot meer concurrentie tussen rechtenfaculteiten leiden en zodoende tot meer prikkels om vooral goede togadragers in spe af te leveren? Dat is nog maar de vraag. Als momenteel een relatief klein aantal van de afgestudeerden in een toga terecht komt (en een nog kleiner percentage in de topadvocatuur), is het voor rechtenfaculteiten verstandiger om voor de massa te kiezen. Vergeet niet dat rechtenopleidingen niet hun eigen tarieven mogen rekenen en dus niet kunnen kiezen voor een elitaire kleine faculteit met alleen maar topstudenten die een flink tarief neerleggen. Tenzij er natuurlijk een College van Bestuur opstaat dat kiest voor het in de lucht houden van een niet-kostendekkende opleiding voor topadvocaten en toprechters binnen een faculteit die geen enkele potentie heeft om Nobelprijzen te winnen en enorme onderzoeksmiddelen te genereren. Een dergelijk beleid is in theorie natuurlijk denkbaar, maar in de praktijk zou het waarschijnlijk academisch wanbestuur zijn. Het gevolg is in elk geval dat het bieden van een kleinschalige uitdagend programma aan excellente rechtenstudenten alleen mogelijk is als faculteiten bereid zijn om er financieel op toe te leggen of om private sponsoring aan te trekken, of als de overheid tarifering van dergelijke opleidingen vrijmaakt.

Dus misschien kan het voor rechtenfaculteiten helemaal geen kwaad om de advocatuur open te stellen voor personen met een andere vooropleiding. Zolang de overheid inzet op een egalitaire en brede rechtenopleiding die aantrekkelijk is voor studenten die niet in aanmerking komen voor topkantoren met hun eigen schakelopleiding, blijft er vermoedelijk voldoende bestaansrecht over voor rechtenopleidingen.

Een realistische benadering

Het idee om ook anderen dan meesters toe te laten tot de toga, komt juist op het moment dat veel rechtenfaculteiten op het zoveelste kruispunt zijn aanbeland. Groeien of krimpen? Nadruk op excellentie of emancipatie? Internationaal of nationaal? Duidelijker naar buiten profileren van talentvolle studenten door middel van ‘honours’ trajecten? Aparte masteropleidingen mét selectie aan de poort? Meer aandacht voor vaardigheden die togadragers nodig hebben, of juist meer aandacht voor het opleiden van excellente onderzoekers? Kiezen voor een generieke opleiding, of juist een eigen smoel met accenten op een bepaald onderdeel of bepaalde methode?

Ik denk dat per saldo een realistische benadering voor hedendaagse rechtenfaculteiten is om maatschappelijke behoeften te combineren: faculteiten moeten enerzijds een brede opleiding bieden die afgestudeerden aflevert die bij benadering weten waar zij oplossingen voor juridische vraagstellingen kunnen vinden, die in staat zijn om die oplossingen te construeren, die in staat zijn om grote hoeveelheid informatie te analyseren, deze om te zetten in relevante argumentatie en daarover in woord en geschrift te rapporteren, en die meer van dergelijke brede academische vaardigheden hebben. En anderzijds moeten rechtenfaculteiten in staat zijn om de beste studenten in de etalage te zetten zodat topadvocatuur en rechterlijke macht kunnen besparen op zoekkosten. Als we dat kunnen waarmaken, durf ik de concurrentie wel aan.