Category Archives: Rechtenopleiding

Onderzoek naar Nederlands recht in de knel door internationalisering? Laten we dat eens onderzoeken.

Een verkeerde cultuur?

In een recente bijdrage in het NJB vragen Barkhuysen en V.d. Brink aandacht voor de vraag of de rechtswetenschap op termijn voldoende in staat zal zijn om gekwalificeerde onderzoekers aan te trekken en daarmee de kwaliteit van het rechtswetenschappelijk onderzoek en onderwijs op peil te houden. Zij betrekken de stelling dat met name de kerngebieden privaatrecht, staats- en bestuursrecht, strafrecht en fiscaal recht van het Nederlands recht in gevaar zijn en als onaantrekkelijk te boek staan voor jonge onderzoekers vanwege een verkeerde cultuur: we laten onze oren te veel hangen naar een toenemende nadruk op Engelstalig publiceren en doceren en we zijn de waardering voor Nederlandstalig doctrinair onderzoek aan het kwijtraken.

Op het blog van Barkhuysen en V.d. Brink volgden instemmende duimpjes, ‘hear hear’ en retweets. Ik ben minder enthousiast over het stuk. Ik kan namelijk door de verschillende anekdotes heen niet een beeld krijgen van de feitenbasis van het stuk. Als de auteurs ‘proeven bij veel collega’s dat internationaal en Engelstalig onderzoek hoger wordt gewaardeerd dan Nederlandstalig onderzoek’ en dat jonge onderzoekers in de kernvakken ‘het geven van Nederlandstalig onderwijs en het doen van Nederlandsrechtelijk onderzoek proberen te vermijden’, vraag ik me af: gebeurt dat echt, en zo ja op grote schaal, en zo ja, waar dan? En wat verklaart het dan?

De reden dat ik me dat afvraag, is gelegen in het feit dat ik het persoonlijk helemaal niet herken. Misschien is dat omdat ik in een Leidse BW-bubbel werk en me omringd voel door getalenteerde jonge onderzoekers die zonder enige gêne het Nederlands privaatrecht beoefenen? Of is het omdat ik zelf ook zo’n meeloper ben die klassiek onderzoek als tweederangs beschouwt? Dus: gaat het om een Tilburgs, Maastrichts of UvA probleem, kennen de auteurs een parallel universum van de Leidse faculteit dat ik niet ken, of hebben we te maken een werkelijk landelijk fenomeen?

En gesteld dat het is zoals de auteurs schetsen, wat is dan de verklaring? Ik denk dat zij in essentie stellen dat de oorzaak ligt in een verkeerde cultuur binnen de rechtsgeleerde academische wereld en in ons collectief ‘leunen’ richting NWO-maatstaven. Ik vraag me dat af. Spelen er niet meer of andere oorzaken dan dat? Ik doe wat suggesties voor mogelijke alternatieve of wellicht samenlopende invloeden. Of die er werkelijk zijn en hoe invloedrijk ze zijn, weet ik niet.

 

Zes alternatieve werkelijkheden

1)  Als de NWO-geldpot kleiner wordt, wie houden dan het eerste op met indienen van voorstellen? Misschien wel degenen die zoveel onderwijs verzorgen dat ze ook nog redelijk wat jonge onderzoekers kunnen aanstellen zónder subsidie. Misschien zijn dat diezelfde kernvakken?  (laat ik het als ‘kernvakker’ maar toegeven: ik heb in mijn 17 jaar als hoogleraar geloof ik twee keer een aio-voorstel bij NWO ingediend (zonder succes): te veel gedoe, te veel een tombola, te veel alternatieve financieringsmogelijkheden)

(2) Als de bekostiging per student op de 1e GS terugloopt, dan zoek je alternatieve bronnen van inkomsten. Die zitten bij rechtenfaculteiten vermoedelijk vooral bij méér onderwijs aan buitenlanders (of bij de 3e GS). En door meer van dat soort onderwijs te geven, daalt de 1e GS financiering per student vermoedelijk nóg verder.

(3) Misschien is niet zozeer het aantal getalenteerde promovendi in de kerngebieden het probleem, maar vooral wat er daarna gebeurt: door de vervlechting van de wetenschapsopvatting in de kerngebieden is de overstap van academie naar togaberoepen redelijk eenvoudig. De togamarkt kent krapte en als het zo is dat het grootste talent in de kernvakken kiest voor de advocatuur vanwege uitdaging + salaris, dan komt er ook niet meer Nachwuchs als we cultuur veranderen. Dan moet er vooral meer geld bij op de 1e GS. Dat heeft met NWO volgens mij niet zoveel te maken.

(4) Misschien is het zo dat er de afgelopen pakweg veertig jaar heel veel meer rechtsgebieden en specialisatiemogelijkheden zijn ontstaan die de kerngebieden relatief gezien minder belangrijk hebben gemaakt; Als er geen toenemende aandacht was geweest voor onderzoek naar, laten we zeggen, mensenrechten en Europees recht, dan was er meer geld uit 1e GS en 2e GS overgebleven voor burgerlijk recht, onaardig gezegd.

(5) Misschien is het zo dat de rechtspraktijk door toenemende specialisatie graag gespecialiseerde onderwijsstromen wil zien en gespecialiseerde onderzoekers wil hebben. Is dat niet ook een invloed die verklaart waarom – laten we zeggen – misschien minder vraag is naar doctrinaire beschouwingen over bestuursrecht in het algemeen maar wel naar de bestuursrechtelijke rechtsgang in de Wet financieel toezicht? Verdwijnt Nachwuchs in de kerngebieden misschien gewoon om die reden?

(6) Is het misschien zo dat de machtsverhoudingen binnen sommige universiteiten ertoe leidt dat de druk op rechtenfaculteiten om mee te bewegen richting internationalisering van onderzoek en onderwijs direct wordt vertaald in wurgende  verdeelmodellen? Als de kerngebieden, die traditioneel veel onderwijs verzorgen, in hun bekostiging geen fatsoenlijke onderzoekstoeslag krijgen om ongebonden promotieonderzoek te financieren uit de 1e GS maar voor elke promovendusplaats intern moeten meeconcurreren, wordt het effect van ‘terugtrekken op de terp van onderwijs’ misschien nog versterkt. Zou het misschien zo zijn dat binnen de verschillende universiteiten de koek heel verschillend wordt verdeeld en dat daardoor de klassieke beoefening van de kerngebieden aldaar langzaam om zeep worden geholpen? Bijvoorbeeld: als een CvB de verdeling van onderzoeksmiddelen op de 1e GS koppelt aan successen op de 2e GS, dan komt rechtsgeleerd onderzoek natuurlijk onder druk te staan.

Het zijn maar een aantal suggesties voor nader onderzoek. Het zou me niet verbazen als álle bovenstaande factoren min of meer een rol spelen. En dan gaat het Sectorplan nooit alle oorzaken aanpakken, dat is duidelijk. Om te constateren dat het Sectorplan niet genoeg is, lijkt me een open deur. Maar het stimuleren van Nachwuchs door middel van extra onderzoeksplaatsen voor promovendi is natuurlijk wel een prachtige kans, lijkt me.

Naar een fonds voor wegonderhoud?

Misschien moeten we ons ook afvragen of er binnen de rechtsgeleerdheid niet ook een andere cultuuromslag nodig is. Misschien is het wel zo dat Nederlandstalig klassiek juridisch onderzoek in de kerngebieden in de ogen van externen, vooral ‘wegonderhoud’ oplevert en niet een poging om nieuwe wegen te vinden. En misschien is die mening niet alleen buiten de rechtsgeleerdheid aanwezig maar ook binnen de rechtsgeleerdheid, namelijk bij degenen die niet dat soort onderzoek doen. Als het zo is dat zij menen dat dit soort onderzoek vooral vage of stuurloze onderzoeksvragen oplevert, in het beste geval leidt tot een veredeld Tekst & Commentaar en daarom als minder subsidiabel wordt gezien, dan kun je die cultuuromslag op je buik schrijven. Dat kunnen we vervelend vinden, maar als dat de heersende opinie is of wordt – misschien niet alleen buiten de muren van de rechtsgeleerdheid maar ook daarbinnen ? – dan is een apart fonds voor ‘wegonderhoud’ nodig voor de juridische infrastructuur van ons land. Het Sectorplan is niet dat fonds. Als het probleem is dat dit ‘wegonderhoud’ steeds minder subsidiewaardig wordt gevonden, moeten we dan niet de handen ineenslaan en de opbrengsten van – laten we zeggen – alle losbladigen, Tekst & Commentaar, arbitrages, opinies en andere nevenwerkzaamheden die worden verricht in de kerngebieden niet gewoon in een fonds steken in plaats van in onze eigen zak? En moeten we hoogleraren in de kerngebieden die hun hoofdbetrekking hebben in de advocatuur dan niet een SP-achtige afdrachtplicht opleggen ter fine van wegonderhoud? Dát zou nog eens een cultuuromslag zijn. U ziet, een prikkelend maar weinig realistisch pleidooi in de categorie ‘meer geld voor wegonderhoud’ is snel gedaan, ook zonder degelijke feitenbasis wat betreft onderliggende oorzaken en mogelijke effecten van de voorgestelde oplossingsrichting.

 

 

 

 

 

 

 

Zes vragen voor 2018

 Zo aan het eind van 2017 gekomen, ruim ik mijn bureau op. De jaarlijkse opruiming van onafgemaakt onderzoek, notities die zich maar niet lieten afschrijven, stukjes papier met ideeën die briljant leken maar bij nader inzien toch onzinnig bleken, boeken en artikelen die ik écht ging lezen. Allemaal gearchiveerd, afgedaan, opgegeven of weggegooid. Met uitzondering van een aantal vragen die ik in 2017 aan het papier toevertrouwde. Vragen waar geen pasklaar antwoord op leek te bestaan, vragen die bleven fascineren, en – messy-desk-clean-mehelaas – aan het eind van dit jaar nog steeds niet beantwoord zijn. Vragen die vrijwel allemaal gaan over het functioneren van de juridische academische wereld (meer bepaald: het civielrechtelijke hoekje daarbinnen).  Zes van die vragen volgen hierna, inclusief een korte toelichting. Wie weet, vinden ze in 2018 een antwoord.

 

vraag 1: hoe werkt het zoekalgoritme van onze juridische databanken?

Hoe het zoekalgoritme van juridische databanken werkt, is waarschijnlijk voor de meeste juristen onbekend. Zij die van mijn generatie zijn, groeiden op met een kaartenbak en later een hele platte NJ-databank zonder toeters en bellen. En tegenwoordig zullen velen virtuele kaartenbakken gebruiken, die men zelf vult aan de hand van eigen inzichten. Die onderzoek skills zijn dus old school. Die skills veronderstellen veel lees- en selectiewerk aan de hand van de bekende sneewbalmethode: lees, controleer verwijzingen, selecteer, en lees verder. Dat kost tijd. En het is zeker niet altijd accuraat, goed beredeneerd of eenvoudig herhaalbaar. Maar als de volgende generatie juristen alleen maar wat zoektermen intoetst en de bronnen gebruikt die de eerste pagina met treffers ophoest, dan zijn we misschien nog verder van huis. Dan kan een onderzoeker wel mooi objectief rapporteren “ik selecteerde mijn bronnen door de zoektermen x en y in te voeren in databank z”, maar dan weten we nog niet hoe de bronnen precies zijn gevonden en geselecteerd (sterker nog: als persoonlijke profielen meespelen, weten we niet eens of een volgende onderzoeker die precies hetzelfde doet, dezelfde uitkomsten verkrijgt). Ik vrees dat de juridische academische wereld sowieso al ver van huis is geraakt van de beschikbare technische oplossingen; geen idee wie er bij ons onderwijs geeft in de forensische zoeksystemen die advocatenkantoren gebruiken bij due diligence onderzoek. Goed voornemen voor 2018 voor juristen van mijn generatie: cursus volgen om vaardigheden te verbeteren en wellicht ook een begin van begrip van algoritmes te krijgen.

 

vraag 2: heeft iemand al eens de kosten en baten in kaart gebracht van de verantwoordingsmachinerie?

Rotte appels en incidenten leiden in de academische omgeving steevast tot een reflex: meer toezicht, meer verantwoordingsmechanismen, meer gedragscodes, meer papierwerk.  Een Hbo-instelling die ondermaatse diploma’s aflevert, leidt tot indringender visitaties en meer formalisering. Een psycholoog die onderzoeksresultaten verzint, leidt tot meer protocollering, vier- of zelfs acht-ogenprincipes, gedragscodes en misschien uiteindelijk tot een wetenschappers-eed. Een gouden wet: ernstige incidenten in één vakgebied leiden  tot meer op wantrouwen gestoelde verantwoordingsmachinerie bij  andere vakgebieden.  Zo komen elk jaar beleidskwesties langs in rechtenfaculteiten die verzwaring van formaliteiten in onderwijs en onderzoek met zich brengen, zonder dat direct de winsten in termen van kwaliteitsverbetering in beeld komen. Dit soort maatregelen moeten uiteraard worden doorvertaald in mensuren, waar zelden extra middelen voor beschikbaar worden gesteld. Daarmee is niet gezegd dat tegenover deze kosten geen baten staan (sterker nog: van sommige maatregelen is mijn indruk dat ze zonder meer heilzaam zijn),  maar die baten worden mij mijn weten zelden inzichtelijk gemaakt of hard gemaakt. Of dat een ingevoerde maatregel spontaan wordt geëvalueerd aan de hand van de vraag: wat heeft het ons nu eigenlijk gebracht? Toegegeven, dat is ook niet een eenvoudig te beantwoorden vraag, omdat je dan vooral moet gaan bijhouden stamphoeveel incidenten zijn voorkomen door de ingevoerde maatregel. Dat levert niet alleen een epistemologisch probleem op, maar zeker ook een publicitair probleem. Welke faculteit wil de nieuwjaarsborrel beginnen met de mededeling: “het afgelopen jaar heeft onze faculteit voorkomen dat er twee publicaties zijn verschenen die zijn gebaseerd op verzonnen data”, “er zijn 15 proefschriften afgekeurd vanwege het ontbreken van een vraagstelling”, of: “het aantal onterecht gegeven voldoendes bij masterscripties is met 10 procent gedaald”?

 

vraag 3: wapenen we onze studenten wel voldoende tegen de invloed van social media?

Rechtenstudenten zijn niet dom, maar wel menselijk. En dus zijn ze vast verslingerd aan social media en de the circle die dat creëert. Mijn generatie is er niet mee opgegroeid; voor die generatie is het moeilijk in te voelen of je tegenwoordig je pubertijd kunt overleven zonder Facebook account. Het zal wel niet. En als je eenmaal in the circle zit, is het vast moeilijk om eruit te stappen. Als je al je nieuws uit de bubbel haalt (zonder er voor te betalen anders dan met je data; sharing is caring!), kun je dan nog wel kritisch blijven op wat je aangeboden wordt? Vast wel. Maar misschien is hecirclet toch ook goed om te werken aan kritische zin. Als jurist moet je toch de vaardigheid hebben om de waarheid te willen weten, om met enige diepgang naar feiten en met scepsis naar bewijsstukken te kijken. Dat kunnen we in het juridisch curriculum misschien een plaats geven met vakken als ‘bewijs’, ‘forensische vaardigheden’, maar we kunnen ook simpeler beginnen met het aanmoedigen van het lezen van een krant waar je voor betaalt. Natuurlijk, ook een krant is een bubbel. Maar als je er eentje leest waar je voor moet betalen in geld en waarbij je zelf moet bepalen welke berichten je wel en niet leest, bouw je misschien meer aan je kritische zin dan anders het geval zou zijn. Dus misschien moeten we studenten wel aanmoedigen om een saaie krant te lezen die níet alleen maar het gratis nieuws voedt dat past bij wat ze eerder al vraten.

 

vraag 4: waarom hebben we zoveel deeltijdhoogleraren?

Het fulltime gewoon hoogleraarschap (‘ordinariaat’) in de rechtswetenschappen is een verantwoordelijke baan, waarbij eigen kwaliteit van onderwijs en onderzoek natuurlijk leidend zijn maar in toenemende mate ook de vaardigheid om de directe omgeving te organiseren, enthousiasmeren en tot nóg betere prestaties te brengen. Dat is, als je het goed beschouwt, best wel veel gevraagd. Zelden verenigt één hoogleraar al die eigenschappen in gelijke mate. Ook daarom is het runnen van een faculteit teamwork. Wat mogelijk problematisch is, is de plaats die daarbinnen ingenomen wordt door deeltijdhoogleraren met een hoofdbetrekking elders ‘in de praktijk’. Studenten vinden het uiteraard geweldig om een professor te hebben die met de voeten in de klebalance-1300334_960_720i staat en in het dagelijks leven advocaat of iets dergelijks is. Toch heb ik mijn bedenkingen bij het grote aantal deeltijdaanstellingen van hoogleraren met een praktijkprofiel die elders hun hoofdbetrekking hebben. Allereerst ben ik niet overtuigd van het academisch nut van de ‘praktijkprofessor’, als dat iemand is die aangesteld wordt om te doceren op een bepaald praktijkgebied, maar van wie niet gevraagd wordt om ook academisch hoogstaande publicaties te realiseren en de wetenschappelijke beoefening van het betreffende vakgebied op een hoger plan te brengen. Als ik mij morgen meld bij een groot advocatenkantoor om daar ‘theorie-maat’ te worden, word ik denkelijk toch ook gewoon weggestuurd? Dus: het professoraat verplicht tot méér dan goed onderwijs. In de tweede plaats lijkt mij de combinatie van advocatuur en hoogleraarschap gewoonweg erg zwaar. Dus is het eigenlijk heel begrijpelijk als dergelijke hoogleraren niet veel verder komen dan – onaardig gezegd – naar binnen rennen om hun colleges te geven en weer weg rennen om hun clientèle te bedienen.

Om misverstanden te vermijden, een facultair beleid dat plaats biedt aan deeltijdaanstellingen van praktijkdocenten, lijkt mij zeer goed. Voltijdse wetenschappers zoals ik zitten minder dicht op het vuur en missen dus belangrijke informatie en inzichten die praktijkdocenten wél hebben. Sommige vakgebieden zijn inmiddels zo specialistisch dat alleen een paar wetgevingsjuristen, advocaten en rechters nog begrijpen hoe ze in elkaar zitten; als die vakken wilt doceren, dan moet je praktijkmensen in je docentencorps hebben. En de interactie tussen academie en rechtspraktijk kan alle betrokkenen verrijken. Maar soms betrap ik me wel op de wens dat de hoogleraarstitel idealiter weer wordt gereserveerd voor de waterdragers, de pijlers van onderwijs, onderzoek én bestuur, dus voor de de (min of meer) voltijdse ordinarii.  De praktijk op rechtenfaculteiten is anders, en vermoedelijk is dat mede te verklaren uit het feit dat deeltijdhoogleraren met een hoofdbetrekking ‘in de praktijk’ niet warmlopen voor een aanstelling zonder die professorstitel. Als je díe partners aan je wilt binden, moet je vermoedelijk al wat sneller met de professorstitel wapperen. Mijn vraag is: moeten we dat niet wat minder vaak doen?

 

vraag 5: mogen raadsheren in de Hoge Raad wel een Asser-deel bewerken?

Voor civilisten is de Asser-serie een toonaangevende boekenreeks waarin het geldende Nederlandse burgerlijk recht is weergegeven. Wie kan beter het geldende recht weergeven dan auteurs die dicht bij de bron zitten? En in onze wetenschapstak is er al sinds mensenheugenis grote vervlechting van praktijk en wetenschap, dus is het heel logisch dat juristen die bijvoorbeeld werkzaam zijn als raadsheer in de Hoge Raad (of als rechter, advocaat of wetgevingsjurist etc.) auteur zijn van delen in die serie.  Ja en nee. Denk aan raadsheer Eijsell, die niet alleen zijn denkbeelden in de arresten Singer en Zutphense waterleiding neerlegde maar zich ook in geschrift verzette tegen de andersdenkende Molengraaff en het wetsontwerp Regout 1911. Naar huidige maatstaven zou het waarschijnlijk niet gepast zijn als een President van de Hoge Raad zich zo zou uitspreken tegen innovatie in het recht. Gelukkig zijn de tegenwoordige raadsheren (v/m) van de civiele kamer stuk voor stuk verstandige mensen die zich wel meer daA.Ph.T. Eijsselln twee keer bedenken voordat ze zich zo kras uitlaten als Eijssell, maar het geeft wel food for thought. Zou Eijssell bewerker van een Asser-deel zijn geweest, dan zouden zijn opvattingen inderdaad geldend recht weergeven (tot uiterlijk 1919). Als men echter meent dat een Asser-deel niet louter positiefrechtelijke bespiegelingen moet bevatten maar ook dienstig moet zijn aan duiding, richting en discours om beter recht te bereiken, dan zijn dubbelrollen misschien minder verstandig.  Ik ben er niet over uit wat verstandig is – houdt het op bij de Hoge Raad of moeten hoogleraren die rechter-plaatsvervanger zijn,  zich ook bezinnen op hun dubbelrol? En wat te denken van advocaten die én deeltijdhoogleraar, plaatsvervanger én bewerker zijn?

 

vraag 6: waarom ontbreekt bij onderwijshypes vaak een onderbouwing?

Wanneer men lang in het juridisch onderwijs meedraait, ziet men op een gegeven moment een patroon, namelijk dat van de hypes op het vlak van onderwijsvernieuwing. De ene onderwijsvernieuwing kwam en ging, en alras kwam een nieuwe poging er voor in de plaats. Sommige initiatieven leken kansrijk maar straalden faliekant, andere waren onverwacht succesvol. Wat ze vrijwel allemaal gemeen hadden, was dat de empirische onderbouwing ervan gebrekkig was. Daarom kan ik me goed voorstellen dat de oude rotten in het vak inmiddels een beetje korzelig worden als er wordt geroepen dat we in het juridisch onderwijs dit te veel doen, dat te weinig, dat we niet goed voorbereiden op zus, niet ernstige aandacht hebben voor zo. Aansprekende ideeën zijn er natuurlijk genoeg. We moeten meer MOOCS doen. We moeten minder massale hoorcolleges doen. We moeten flipping the classroom doen. We moeten studenten beter voorbereiden op de praktijk. We moeten ze wetenschappelijker opleiden. We moeten ze meer multidisciplinair opleiden. En ze moeten allemaal T-shaped zijn.

De laatste hype is die van de visualisatie. We moeten onze studenten de kunst van het visualiseren bijbrengen. Maar waarom eigenlijk? Omdat iedereen youtube kijkt, poezenplaatjes liket en de praktijk ook met schema’s werkt? Mijn ervaring is dat gevorderde studenten over het algemeen prima Powerpoints weten te maken met een logische verhaallijn, die is afgestemd op het publiek waar ze voor spreken. Zou dus best kunnen dat ze ook goed in staat zijn een Venn diagram of stroomschema te maken waarin ze een bepaald juridisch domein uiteenzetten. En als ze inderdaad daartoe in staat zijn (laten we het onderzoeken!), waarom moeten we het dan nog aanleren? Wellicht is een plausibele hypothese dat de vaardigheid om zinvol te visualiseren een resultante is van de vaardigheid om informatie te analyseren, samen te vatten, te modelleren en vervolgens de kern te presenteren. In het juridisch metier is daar allereerst voor nodig dat je in staat bent om je door een grote hoeveelheid ongestructureerde informatie heen te werken. Mijn vraag zou dus zijn wat het probleem is dat het aanleren van visualisatie gaat verhelpen. Of, in beeld uitgedrukt:

visualisatie

visualisatie en wat eraan voorafgaat…

Overigens: ik ben een groot fan van visualisatie. Sterker nog: in het juridisch onderwijs visualiseert menig docent zich helemaal suf. Maar ik nog maar weinig zinvolle en in een juridische opleiding toepasbare wetenschappelijke literatuur weten te vinden die de didactische kosten en baten van concrete visualisering in onderwijsmateriaal op een rij zet. Wanneer is bijv. een studieboek te visueel of te weinig ingericht? Sommige studieboeken in het recht zijn te saai voor woorden, maar in psychologie komt men vaak juist studieboeken tegen met meer bling dan een kerstboom: een oogverblindende parade van kadertjes, plaatjes, diagrammen en wat niet meer. Bij mijn weten is het kernpunt dat de didactische literatuur eenstemmig vooropstelt, is dat elk individu een andere manier van leren heeft en dat daarom vooral variëren van de manier van aanbieden van kennis de kans vergroot dat je die individuen bereikt.  Daar komt bij dat als we ruimte in het curriculum willen bieden aan visualisatievaardigheden, er iets anders moet sneuvelen. Zeg maar wat eruit kan en hoe de nieuwe plannen bekostigd gaan worden! Kortom, laten we afspreken dat de eerstvolgende die komt met een leuk idee voor zinvolle en kansrijke onderwijsvernieuwing, dan graag de volgende zaken toevoegt:  1) wat is exact uw analyse, wat is het doel, en waarom denkt u dat het door u voorgestelde idee het gesignaleerde probleem gaat oplossen?  2) hoe denkt u ervoor te zorgen dat uw plannen goed uitvoerbaar zijn gezien het curriculum en de bekostiging van rechtenfaculteiten? 3) er moet ook vakinhoud en andere vaardigheden worden gedoceerd. Hoe denkt u in overleg met uw collega’s de schaarse studiepunten te verdelen?

Nog meer vragen?

In 2017 werden er de nodige vragen gesteld over de juridische academische wereld. Bijvoorbeeld vragen die gaan over integriteit, schijn van verstrengeling van belangen en oneigenlijke beïnvloeding, over kwaliteitszorg en ‘het eigene’ van de rechtswetenschap. Dat zijn belangrijke vragen waar we het ongetwijfeld ook in 2018 over zullen hebben.  En misschien kunnen de zes vragen die hierboven staan, dan ook worden meegenomen in het debat.

 

Door meten tot weten – Over rechtswetenschap als kruispunt

Op 22 mei 2015 sprak ik mijn Leidse oratie uit: ‘Door meten tot weten’ – over rechtswetenschap als kruispunt. Ik vond het een bijzonder leuke dag, natuurlijk in de eerste plaats vanwege de aanwezigheid van en het weerzien met veel collega’s, vrienden en familie. Maar ook omdat ik in mijn oratie een aantal ideeën over de (privaat)rechtswetenschap mocht delen met het publiek. Inmiddels is de gedrukte versie van de oratie uitgebracht. Ik vat hier de hoofdlijnen van het betoog samen.

van boom oratie 2015

Van meting naar uitdaging

De titel ‘Door meten tot weten’ verwijst naar de lijfspreuk van natuurkundige Heike Kamerlingh Onnes. Zijn borstbeeld met lijfspreuk staat voor het Kamerlingh Onnes gebouw, waar inmiddels de Leidse rechtenfaculteit gevestigd. Hoe verhoudt die lijfspreuk ‘door meten tot weten’ zich tot het werk dat wordt verricht op rechtenfaculteiten? Die vraag is niet eenvoudig want het is geen evidentie dat een rechtenfaculteit zich afficheert als bolwerk van exactheid. Juristen houden zich immers vooral bezig met taal, tekst, systematisering, logische argumentatie, overtuiging en een betere wereld. Zij postuleren normen, debiteren tegeltjeswijsheden, argumenteren met verwijzing naar rechtssysteem, wet, rechtspraak, literatuur; maar zelden zie je ze meten of verwijzen naar systematische waarneming. Dus wat gebeurt er als we op rechtenfaculteiten gaan meten? In mijn oratie stel ik vast dat rechtenfaculteiten ‘kruispunten’ van verschillende wetenschapsopvattingen zijn. Dat gegeven heeft consequenties waar rechtswetenschappers antwoorden op moeten formuleren. Ik belicht een aantal van de uitdagingen die rechtswetenschappers – en dus ook privaatrechtswetenschappers – daarbij te wachten staan.

Rechtenfaculteiten als kruispunt van wetenschapsopvattingen

Rechtswetenschap is wetenschap omdat zij meer wil dan weetjes genereren: ze streeft plaatsing, duiding, categorisering, vergelijking, verklaring, voorspelling en richting na. Maar over de vraag wat zinvolle kennis is en hoe die nagestreefd moet worden, bestaan onder rechtswetenschappers – in mijn definitie dus al het wetenschappelijk personeel op onze rechtenfaculteiten – heel uiteenlopende ideeën. Soms zijn die ideeën rudimentair, intuïtief, impliciet. Maar soms ook uitgewerkt, uitgesproken en met de pretentie van een ‘school’. Kijken we op deze manier rond in onze rechtenfaculteiten, dan zien we al snel dat er op dat kruispunt niet alleen de bestudeerders van geldend recht staan maar ook een flink aantal theoretici, filosofen, sociologen, psychologen, criminologen, antropologen, politicologen, bedrijfswetenschappers, historici, bestuurskundigen, economen, praktizijns en wat al niet meer. Rechtenfaculteiten – en daarmee rechtswetenschap – zijn kruispunt van wetenschap

Bewijs

Het bewijs voor de juistheid van deze stelling vind ik in de literatuur, maar ook in empirisch onderzoek. De uitkomsten van de landelijke enquête ‘Rechtswetenschappelijk onderzoek’ van Van Gestel en mijzelf tonen aan dat sprake is van een kruispunt. Uit die enquête kunnen we afleiden dat de mate waarin een rechtswetenschapper affiniteit heeft met de sociale wetenschappen, praktijkgericht onderzoek en tot de humaniora, te meten is. Elke rechtswetenschapper kan zich meer of minder aangetrokken voelen tot elk van deze drie richtingen. De getallen wijzen uit dat ongeveer 68% van de respondenten zich aangetrokken voelt totkruispunt de humaniora, 66% tot de sociale wetenschappen en 75% tot praktijkgerichtheid. Dat is interessant: de meerderheid wil zich dus niet voor één karretje laten spannen. Individuele respondenten kunnen dus in verschillende richtingen kijken vanaf dat kruispunt, en dat doen ze dan ook.

Stellingname

Deze uitkomst leidt voor mij tot een normatieve stellingname. Een kruispunt van wetenschappen moet blijven werken aan de eigen identiteit. Juist omdat het een kruispunt is en er vele wegen van en naar het kruispunt voeren, staat de rechtswetenschap elke dag bloot aan invloeden van buiten en is die identiteit en de bearbeiding daarvan aan de orde van de dag. Rechtswetenschap is niet humaniora, niet sociale wetenschappen en ook niet louter praktijkgericht. Niet alleen het object van de rechtswetenschap is specifiek, maar ook de methoden en het doel waarmee deze gebruikt worden – hoe impliciet, rudimentair en onvolkomen soms ook – zijn eigen aan die wetenschap. Het eigene is echter nog steeds niet goed genoeg geëxpliciteerd en wij doen er verstandig aan daar meer werk van te maken.

Citaties meten

In mijn oratie diep ik vervolgens één thema verder uit, dat van de bronverwijzingen (naar het Engelse ‘citations’ soms ook wel ‘citaties’ genoemd, maar dan niet als in: letterlijk citeren). In veel andere wetenschappen is een gangbare manier om de kwaliteit van onderzoek te meten, het tellen van verwijzingen naar wetenschappelijke publicaties in latere publicaties. Dat meten gebeurt dan ook in allerlei varianten, met allerlei wegingsfactoren en in heel veel verschillende vormen, maar de basis van al die bibliometrie blijft: meten.

In de rechtswetenschap is dat niet gebruikelijk. Dat heeft voor- en nadelen. Wij juristen worden niet gegeseld of gegijzeld door citatiescores, impactfactoren en wat dies meer zij. Wij denken dat we kwaliteit herkennen als we deze zien. Toch is er druk van buitenaf om ook aan tellen en turven van citaties te gaan doen. Ik bepleit dat het zaak is om als rechtswetenschap eerst gedeelde normen en meetinstrumenten te ontwikkelen die recht doet aan het kruispuntkarakter van de rechtswetenschap. Want het meten van aantallen verwijzingen is zo gek nog niet; het kan een goed onderdeel zijn van onze kwaliteitshuishouding, maar het is ook niet het alfa en omega.

Ideaal en werkelijkheid

In een ideale wereld hanteren volledig ingelichte rechtswetenschappers duidelijke en relevante verwijzingsregels; daarin zijn verwijzingen het bewijs dat je werk anderen aan het denken zet, dat het navolging vindt of tot tegenspraak leidt. Men moet die verwijzingen begrijpen als intersubjectief kwaliteitskeurmerk. Dat ideaalbeeld is ook de grondslag van het meten van verwijzingen in andere wetenschappen. Maar in werkelijkheid, zo blijkt keer op keer uit onderzoek in die andere disciplines, zijn de redenen waarom wel of niet verwezen wordt naar een publicatie, veel complexer of minder eenduidig terug te voeren op de inhoudelijke kwaliteiten van het stuk waarnaar verwezen wordt.

Werk maken van gedeelde opvattingen

In de rechtswetenschap is het niet anders, vermoed ik. Dus als we nu opeens citaties gaan tellen, weten we eigenlijk niet goed wat we meten. Rechtswetenschappers zijn het in abstracto misschien eens over uitgangspunten zoals: toon dat je weet welke bronnen belangrijk zijn door de meest gezaghebbende bronnen te citeren, los je schuld in aan de auctor intellectualis door de originele bron te citeren, toon dat je het veld beheerst coverdoor de meest recente bronnen te citeren, laat geen bronnen weg wanneer ze je onwelgevallig zijn, en zo verder. Maar die uitgangspunten leiden naar mijn indruk niet tot een scherpe en gedeelde citatiecultuur. En omdat we kruispuntwetenschap zijn, zijn er invloeden van andere citatieculturen in onze faculteiten te bespeuren. Zo maakt het al een wereld van verschil of men met voetnoten werkt of met verwijzingen in de hoofdtekst. Beide vormen komen voor op het kruispunt. Om het onaardig te zeggen: als het gaat om verwijzen, doen we maar wat, expliciteren we niets en vertellen we onze studenten ook maar half wat ze moeten doen. Ik denk dan ook – maar ik zou het graag uitgezocht zien voor de rechtswetenschap – dat verwijzingen slechts voor een deel een goede weerspiegeling zijn van het onderzoeksproces, en voor een deel vooral de later (lukraak) aangebrachte steunstempels. In mijn oratie illustreer ik de juistheid van dit standpunt aan de hand van een analyse van de citaties van mijn eigen werk door anderen. In het bijzonder analyseer ik verwijzingen in de literatuur naar mijn Tilburgse oratie uit 2003. Die analyse brengt mij tot de aanbeveling om meer werk te maken van gedeelde opvattingen over verwijzingen en het verkennen van de voordelen van dat wat technisch mogelijk is. Het ontwikkelen en testen van een Leidraad Rechtswetenschappelijke bronnenverwerking en verwijzingsvormen, voor onderzoekers maar zeker ook voor studenten, hoort daar ook bij.

wordle