Category Archives: Rechtsvinding en -vorming

Hoe algemeen bekend zijn ‘feiten van algemene bekendheid’ ?

Feiten van algemene bekendheid en ervaringsregels behoeven geen bewijs. De rechter mag ze ambtshalve aan zijn beslissing ten grondslag leggen. Art. 149 lid 2 Rv bepaalt namelijk: “Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.”

Dat is handig voor de rechter: geen bewijslastverdeling, bewijsopdracht of ander gedoe. Op eigen gezag zeggen dat de ‘gewone burger’ ook wel weet hoe het zit en dat er dus geen bewijs nodig is. De rechter legt deze feiten op eigen gezag ten grondslag aan zijn beslissing. Zo heeft de burgerlijke rechter geoordeeld dat het van algemene bekendheid is dat aandelen in waarde kunnen stijgen én dalen, dat lopen door een plas water een verhoogd risico op uitglijden met zich brengt, dat lassen brandgevaar oplevert en dat bij autogarages regelmatig wordt geprobeerd om autosleutels te hengelen uit de brievenbus.

Soms zijn het open deuren. Natuurlijk weet iedereen dat aandelen in waarde kunnen stijgen en dalen, zou je zeggen. Maar soms ligt het er minder dik bovenop. De rechter kan wel zeggen dat iets van algemene bekendheid is, maar is dat ook echt waar? Het is maar de vraag of leken dit soort ‘feiten’ altijd zo ‘algemeen bekend’ vinden als de rechter. Eerder onderzoek onder rechtenstudenten toonde aan dat dit lang niet altijd het geval is. Met een uitgebreider onderzoek dat ik samen met Helen Pluut en Jean-Pierre van der Rest uitvoerde onder een breder publiek van ‘echte’ leken, werden deze uitkomsten in grote lijnen bevestigd.

Het onderzoek werd onlangs gepubliceerd in NTBR 2017/6. Hieronder één voorbeeld uit het artikel, bij wijze van ‘teaser’. Een rechter heeft wel eens geoordeeld dat het van algemene bekendheid is dat in een cash-and-carrybedrijf het nodige zware sjouw- en tilwerk wordt verricht (Rechtbank Haarlem, te kennen uit HR 2001:AB3098, r.ov. 3.3). Klinkt plausibel, behalve dat wij niet direct wisten wat een cash-and-carrybedrijf is. Dus legden we de volgende stelling voor aan een representatieve steekproef van ‘gewone mensen’:

“In een groothandel-supermarkt wordt het nodige zware sjouw- en tilwerk verricht”.

De Hoge Raad liet destijds in het midden of dit werkelijk van algemene bekendheid is. Onze respondenten gaan echter in meerderheid mee met de Rechtbank:

stelling

Het volk heeft gesproken: het is algemeen bekend dat er zwaar getild wordt in de groothandel-supermarkt. Overigens: vrouwen zijn het vaker eens met de stelling dan mannen. Dat zou kunnen duiden op een invloed van geslacht op het oordeel. Juist daarom onderzochten we ook of er invloed was van demografische kenmerken zoals geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, beroep, inkomen, gelovig zijn en politieke voorkeur. De geruststellende uitkomst is dat we (buiten dit geval) vrijwel geen invloeden van dergelijke kenmerken vonden. Dat is geruststellend omdat als feiten van algemene bekendheid werkelijk evident zijn en de juistheid ervan in redelijkheid niet voor betwisting vatbaar is, een oordeel daarover niet afhankelijk zou mogen zijn van (de kenmerken van) de persoon die het oordeel geeft. Overigens vonden we soms wel aanwijzingen dat iemands ‘persoonlijke wereldvisie’, in het bijzonder met betrekking tot ‘autoritarisme’ en ‘economisch liberalisme’, kan samenhangen met het oordeel over het feit van algemene bekendheid. Deze samenhang is niet in alle opzichten eenduidig, zodat nader onderzoek nodig is.

 

NTBR jun 17

 

 

 

 

Oude arresten, nieuw jasje

Het is van belang dat nieuwe generaties juristen weet hebben van de markeringspunten in de ontwikkeling van het vermogensrecht. En aangezien die punten vaak in de rechtspraak te vinden zijn, schrijven we in de rechtenopleiding rechtspraak voor waarvan wij als docenten menen dat daarin die markering te zien is. Voor het vermogensrecht gaat het dan dus voornamelijk om arresten van de Hoge Raad.

Als het gaat om wat oudere rechtspraak, verwacht ik als docent niet dat bachelorstudenten die arresten van A tot Z kennen. Het taalgebruik is archaïsch, de opbouw van de arresten is voor de moderne lezer ingewikkeld en vaak is er ná het arrest zoveel gebeurd dat dát eigenlijk ook verteld moet worden om goed te begrijpen waarom het arrest een markeringspunt is. Er kan dus aanleiding zijn om oude arresten in een nieuw jasje te steken, bijvoorbeeld door ze opnieuw te annoteren. Dat heb ik de afgelopen tijd dan ook gedaan, ten behoeve van het bacheloronderwijs.

Zo heb ik onlangs de arresten Gegaste Uien (1969), Securicor (1979) en Citronas (1986) weer eens goed bestudeerd en vervolgens voor studenten in een nieuw jasje gestoken. En wat dan opeens opvalt – het was me eerder niet zo duidelijk als nu – dat met name de toonzetting van de eerste twee arresten, Gegaste Uien (1969) en Securicor (1979), heel losjes is. Er ademt een bijna ‘vrijgemaakte rechtsvinding’ uit die arresten. Dat maakt dat de dynamiek er van af spat (wie bedenkt er nu dat je als derde een actie uit onrechtmatige daad zomaar kwijt kunt raken omdat je ‘in redelijkheid’ een exoneratie tegen je moet laten gelden?), maar ook dat die arresten, zelfs nu nog, heel raadselachtig zijn: wat is de grondslag, de rechtvaardiging? het had anders gekund of gemoeten? Een overtuigende theorie die deze rechtspraak betekenisvol samenbindt, is er naar mijn smaak (nog) niet.

En als we dan naar Citronas (1986) kijken, dan zien we dat de Hoge Raad, ongetwijfeld in reactie op de vele literatuur die tussen 1969 en 1986 is verschenen over de inpassing van die raadselachtige rechtspraak, de gevormde regels herformuleert en laat stollen in een aantal subregels en gezichtspunten. Dat is rechterlijke rechtsvorming in het vermogensrecht ‘in actie’ – stapje voor stapje, met een luisterend oor voor het rechtsgeleerde discours in de literatuur, naar een verdere uitbouw van het bouwwerk(je). Voorlopig is Citronas het eindpunt van deze rechterlijke regelvorming gebleken.En daarmee kan men de drie arresten niet alleen als markeringspunten zien in de ontwikkeling van het leerstuk van derdenwerking, maar ook als een mooie illustratie van het ‘slow cooking’ proces van rechterlijke rechtsvorming.

Overigens schrijf ik persoonlijk ook rechtspraak voor die niet zozeer markering als wel illustratie oplevert van de werking van een leerstuk. En dat vertel ik studenten er dan ook bij. Zie bijv. HR 1989 Azivo / GGD of HR 1994 NBM / Securicor.  Zeker geen wereldschokkende arresten, maar wel rake illustraties van de interactie tussen de leerstukken contract en onrechtmatige daad.