Category Archives: Rechtspleging

Gedoe over rechtsbijstandverzekeringen

Onlangs verscheen in het NJB een artikel getiteld “Gaat het wel goed met onze rechtsbijstandverzekeringen?” (T. Steinz, NJB 2018, p. 1649). Weer gedoe over rechtsbijstandverzekeringen. Waar gaat het ook al weer over?

De oorspronkelijke aanleiding is de verschuiving die zich sinds de zaak Sneller aftekent, namelijk weg van het model van de  ‘naturapolis’ waarbij de rechtsbijstandverzekeraar zoveel mogelijk werkt met eigen juristen en zonodig met externe advocaten met wie gunstige honorariumafspraken kunnen worden gemaakt, naar de ‘restitutiepolis’ waarbij de verzekerde een vrije keuze heeft in de rechtsbijstandverlener die hij onder de polis gebruikt.

Die verschuiving gaat niet van harte in ons land maar is uitvloeisel van rechtspraak van het HvJ EU en de HR. De rechtsbijstandverzekeraars passen zich langzaam en niet zonder morren aan. Zie over die ontwikkeling recent B. Krans & F. van de Pol, Vrije advocaatkeuze bij rechtsbijstandverzekeringen, Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging 2018/2, p. 23 e.v.

Een van de stellingen bij het NJB-artikel “Gaat het wel goed met onze rechtsbijstandverzekeringen?”, is dat bij geen van onze universiteiten iemand zich bezighoudt met deze materie. Dat is natuurlijk tegen het zere been. In binnen- en buitenland is er veel over geschreven (voor ons land bijv. Faure, Philipsen en mijzelf).

Een van de conclusies van het NJB-artikel was dat we vooral naar landen om ons heen moeten kijken om te zien dat rechtsbijstandverzekeringen best kunnen bestaan met vrije advocaatkeuze. De conclusie dat ‘de’ rechtsbijstandverzekering de vrije advocaatkeuze wel overleeft, lijkt me plausibel. De naturapolis staat natuurlijk wel onder druk, maar ook als er alleen maar pure restitutiepolissen zijn waarbij de verzekerde als het ware een zak geld krijgt om aan een advocaat te geven om zijn belangen te behartigen totdat het geld op is, zal er vast wel een markt zijn voor dat soort rechtsbijstandverzekeringen. Die markt zal er echter wel anders kunnen uitzien: denk aan hogere premies (eeinsurancen restitutiepolis biedt nu eenmaal niet de schaalvoordelen voor de verzekeraar die een naturapolis biedt),  misschien minder dekking, en dus misschien ook minder vraag naar het product. Minder vraag betekent overigens ook minder rechtzoekenden die rechtsbijstand kunnen betalen zodra ze het nodig hebben. Je sluit immers een verzekering voor die financiële risico’s die je, zodra ze zich verwezenlijken, niet zelf kunt opvangen.

Dus: of rechtsbijstandverzekeringen volkomen onverzekerbaar worden, zullen we moeten afwachten. Verzekeraars roepen natuurlijk graag moord en brand, maar misschien is dat hier dus voorbarig. Anderzijds is het wel een feit dat zij in het verleden de kosten per dossier door bijv. schaalvoordelen veel beter in de hand wisten te houden dan advocatenkantoren dat kunnen en willen. Deels is dat verklaarbaar door het verschil in prikkels. Advocaten declareren immers per uur zonder dat ze meedelen in een succesvolle snelle afwikkeling. De rechtsbijstandverzekeraar deelt wel mee in die afwikkeling: hoe sneller de zaak gesloten wordt, des te meer kosten er worden bespaard. Die verschillende prikkels leiden tot verschillend gedrag. Onaardig en wat cynisch gezegd: de advocaat heeft er belang bij om ook minder kansrijke zaken aan te nemen en om zoveel mogelijk uren te maken (in de rechtszaal of in schikkingsonderhandelingen), terwijl de rechtsbijstandverzekeraar belang heeft bij afwijzen van dekking, de cliënt overtuigen dat de zaak zwak is of snel schikken tegen welk bedrag dan ook (dat bedrag betaalt de verzekeraar namelijk niet, maar de klant of de wederpartij) en liever niet procederen (en zeker niet met een dure advocaat). De vraag is welke prikkels voor de maatschappij als geheel de beste zijn.

Ik werd onlangs benaderd door een journalist van het NRC Handelsblad, die de rechtsbijstandverzekeraars weer eens onder de loep wilde nemen. Dat was voor mij aanleiding voor de volgende observaties:

  • Anders dan wel wordt gesteld, denk ik dat rechtsbijstandverzekeraars zeker polismaxima mogen invoeren bij restitutiepolissen, maar ze mogen niet discrimineren; dus als ze in de polis bepalen dat er max. €20.000 wordt gedekt en je zou de klant de keuze laten om een zelfgekozen advocaat te nemen of een in-house jurist,  moeten ze een rekenmethode hebben om uurtarieven van zelfgekozen advocaten te vergelijken met hun in-house service. Een rechtsbijstandpolis is geen blanco cheque, hoe graag advocaten dat ook zouden willen.
  • De vergelijking met andere landen gaat in veel opzichten mank en biedt zeker geen pasklare oplossingen. Een oppervlakkige vergelijking met Duitsland is zeker heilloos omdat zo ongeveer alles anders is in Duitsland: een hoge penetratiegraad van dit soort verzekeringen, een wettelijk monopolie van advocaten op rechtskundig advies (ook buiten de rechtszaal!), regulering van advocatentarieven, het aantal advocaten is relatief veel hoger dan in Nederland en de rechtscultuur daar is minder op schikken en meer op de rechtsgang gericht. Heel veel verschillen die de markt voor rechtsbijstandverzekeringen vermoedelijk ook beïnvloeden. Dan kun je wel bepleiten dat we ook in ons land tariefregulering voor advocaten moeten invoeren,  maar dat lijkt me net zo beredeneerd als bepleiten dat we voortaan Duits moeten gaan praten. Misschien dat dat ook helpt.
  • Is de in-house dienstverlening bij naturapolissen slechter dan bij een zelfgekozen advocaat? Dat is inderdaad de premisse die de advocatenlobby graag naar voren schuift; elke advocaat kent uiteraard dat soort gevallen en die worden graag breed uitgemeten. Dat komt natuurlijk ook omdat advocaten vaak juist de boze klanten van die rechtsbijstandverzekeraar zien. De werkelijkheid is volgens mij genuanceerder.  En de advocatenlobby is hier gewoon sterk: dit gaat over marktaandeel. Dus de vlag ging uit bij de Orde toen het HvJ EU die uitspraken deed en DAS in het ongelijk stelde. Echter, de kwaliteit van juridische diensten is notoir moeilijk te onderzoeken. Of je een zaak wint of verliest, zegt niet per se iets over de kwaliteit van je jurist. Dus wat vaak wordt gedaan, is tevredenheid van klanten meten. Als ‘second best’ manier van meten van kwaliteit. En daar scoren Nederlandse rechtsbijstandverzekeraars wel redelijk  – niet briljant, maar ook niet heel beroerd. Zie bijv. WODC cahier 2016/14 “Lagere drempels voor rechtzoekenden”. Natuurlijk zijn er foute gevallen en natuurlijk vallen er soms mensen tussen wal en schip. Die gevallen worden door advocaten graag uitgemeten. Daar kun je vast ook foute advocaten tegenover zetten. Weinig zinvol dus als je niet gestructureerd naar het grote plaatje kijkt. Een van de aspecten van het grote plaatje is het verschil in uurtarief. Een dure advocaat zal ongetwijfeld in bepaalde gevallen betere kwaliteit kunnen leveren dan een in-house paralegal, maar je kunt geen Rolls Royce rijden voor de prijs van de Dacia.
  • Ikzelf heb mij enige jaren geleden uitgesproken voor een andere benadering ( Enige recente ontwikkelingen in de particuliere rechtsbijstandsverzekering, Tijdschrift voor consumentenrecht en handelspraktijken 2011/1, p. 8-15). Die benadering is niet geldend recht, maar ik denk wel beter recht: verplicht rechtsbijstandverzekeraars om tegen hetzelfde polismaximum twee verschillende polissen aan te bieden: de naturapolis en de restitutiepolis. Laat de premiestelling vrij aan de markt. Licht vervolgens de klant goed voor over de relatieve voor- en nadelen van de beide polissen. En kijk waar de klant voor kiest met zijn portemonnee. Dan zien we wat mensen echt belangrijk vinden.

 

 

 

Hoe algemeen bekend zijn ‘feiten van algemene bekendheid’ ?

Feiten van algemene bekendheid en ervaringsregels behoeven geen bewijs. De rechter mag ze ambtshalve aan zijn beslissing ten grondslag leggen. Art. 149 lid 2 Rv bepaalt namelijk: “Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.”

Dat is handig voor de rechter: geen bewijslastverdeling, bewijsopdracht of ander gedoe. Op eigen gezag zeggen dat de ‘gewone burger’ ook wel weet hoe het zit en dat er dus geen bewijs nodig is. De rechter legt deze feiten op eigen gezag ten grondslag aan zijn beslissing. Zo heeft de burgerlijke rechter geoordeeld dat het van algemene bekendheid is dat aandelen in waarde kunnen stijgen én dalen, dat lopen door een plas water een verhoogd risico op uitglijden met zich brengt, dat lassen brandgevaar oplevert en dat bij autogarages regelmatig wordt geprobeerd om autosleutels te hengelen uit de brievenbus.

Soms zijn het open deuren. Natuurlijk weet iedereen dat aandelen in waarde kunnen stijgen en dalen, zou je zeggen. Maar soms ligt het er minder dik bovenop. De rechter kan wel zeggen dat iets van algemene bekendheid is, maar is dat ook echt waar? Het is maar de vraag of leken dit soort ‘feiten’ altijd zo ‘algemeen bekend’ vinden als de rechter. Eerder onderzoek onder rechtenstudenten toonde aan dat dit lang niet altijd het geval is. Met een uitgebreider onderzoek dat ik samen met Helen Pluut en Jean-Pierre van der Rest uitvoerde onder een breder publiek van ‘echte’ leken, werden deze uitkomsten in grote lijnen bevestigd.

Het onderzoek werd onlangs gepubliceerd in NTBR 2017/6. Hieronder één voorbeeld uit het artikel, bij wijze van ‘teaser’. Een rechter heeft wel eens geoordeeld dat het van algemene bekendheid is dat in een cash-and-carrybedrijf het nodige zware sjouw- en tilwerk wordt verricht (Rechtbank Haarlem, te kennen uit HR 2001:AB3098, r.ov. 3.3). Klinkt plausibel, behalve dat wij niet direct wisten wat een cash-and-carrybedrijf is. Dus legden we de volgende stelling voor aan een representatieve steekproef van ‘gewone mensen’:

“In een groothandel-supermarkt wordt het nodige zware sjouw- en tilwerk verricht”.

De Hoge Raad liet destijds in het midden of dit werkelijk van algemene bekendheid is. Onze respondenten gaan echter in meerderheid mee met de Rechtbank:

stelling

Het volk heeft gesproken: het is algemeen bekend dat er zwaar getild wordt in de groothandel-supermarkt. Overigens: vrouwen zijn het vaker eens met de stelling dan mannen. Dat zou kunnen duiden op een invloed van geslacht op het oordeel. Juist daarom onderzochten we ook of er invloed was van demografische kenmerken zoals geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, beroep, inkomen, gelovig zijn en politieke voorkeur. De geruststellende uitkomst is dat we (buiten dit geval) vrijwel geen invloeden van dergelijke kenmerken vonden. Dat is geruststellend omdat als feiten van algemene bekendheid werkelijk evident zijn en de juistheid ervan in redelijkheid niet voor betwisting vatbaar is, een oordeel daarover niet afhankelijk zou mogen zijn van (de kenmerken van) de persoon die het oordeel geeft. Overigens vonden we soms wel aanwijzingen dat iemands ‘persoonlijke wereldvisie’, in het bijzonder met betrekking tot ‘autoritarisme’ en ‘economisch liberalisme’, kan samenhangen met het oordeel over het feit van algemene bekendheid. Deze samenhang is niet in alle opzichten eenduidig, zodat nader onderzoek nodig is.

 

NTBR jun 17

 

 

 

 

Wetsvoorstel richt zwaar geschut op alle collectieve acties

In november 2016 werd wetsvoorstel 34 608 ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel introduceert een novum in ons recht: een rechterlijke procedure die een aansprakelijke kan dwingen om collectief vastgestelde schadevergoeding uit te keren.

Het wetsvoorstel doet nog iets meer dan dat: het trekt de ontvankelijkheidseisen voor alle collectieve vorderingen omhoog en verzwaart de procedure. In dit blog ga ik op dát aspect kort in en betoog ik dat de wetgever hier met te zwaar geschut opereert.

Waar gaat het om?

Momenteel staat in art. 3:305a BW een algemene regeling van de collectieve actie. Het artikel staat toe dat een stichting of (formele) vereniging die volgens haar statuten de gelijksoortige belangen van andere personen behartigt en bij wie de belangen van die personen voldoende gewaarborgd zijn, in rechte optreedt ten behoeve van die andere personen. Deze collectieve actie kan zijn een gebodsactie, verbodsactie of verklaring voor recht-actie.

Dus bewonersvereniging Havenstraat kan een verbod vorderen ten behoeve van alle bewoners van de Havenstraat tegen een bedrijf dat onrechtmatige verkeersoverlast veroorzaakt. Of de Stichting Urgenda kan een gebodsactie jegens de Staat instellen om klimaatmaatregelen te treffen ten behoeve van ons nageslacht. Als komt vast te staan dat er een onrechtmatige daad is gepleegd jegens de ‘andere personen’, dan kan de ingestelde 305a-vordering worden toegewezen.

Onder het nieuw voorgestelde art. 3:305a BW wordt het mogelijk dat deze 305a-eisers voortaan ook collectieve schadevergoeding kunnen eisen ten behoeve van deze andere personen. Dat is nogal wat. Dat de wetgever hoge eisen wil stellen aan 305a-eisers die geld in handen krijgen dat uiteindelijk terecht moet komen bij die andere personen, is alleszins begrijpelijk. Maar het wetsvoorstel gaat veel verder.

Het nieuwe art. 3:305a BW is namelijk van toepassing op alle ‘collectieve vorderingen’, dat zijn alle rechtsvorderingen die strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen. Dus ook de ‘verklaring voor recht’-actie en de gebods- en verbodsactie.

Eerst hoge ontvankelijkheidsdrempels

In de nieuwe versie van art. 3:305a BW gaat het als volgt in zijn werk. Een stichting of vereniging kan de collectieve vordering instellen mits zij de belangen van andere personen ingevolge haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd. Dat is het geval als de 305a-rechtspersoon:

“voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen en beschikt over:

(a) een toezichthoudend orgaan, tenzij uitvoering is gegeven aan artikel 9a, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

(b) passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt;

c) voldoende middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen;

(d) een algemeen toegankelijke internetpagina, waarop de volgende informatie beschikbaar is:

[volgt een waslijst aan informatie]

(e) voldoende ervaring en deskundigheid ten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering.”

Daarnaast gelden als ontvankelijkheidsvereisten onder meer dat de bestuurders betrokken bij de oprichting van de rechtspersoon en hun opvolgers geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk hebben dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd  en een bestuursverslag en jaarrekenig opgemaakt en op de website zijn gepubliceerd.

Voldoet de stichting of vereniging niet aan deze eisen, dan volgt niet-ontvankelijkheid.  Het goede nieuws is: de rechter heeft de bevoegdheid om hiervan af te wijken. De rechter kan namelijk ontheffing verlenen van de criteria ter bepaling van de ‘voldoende waarborg’ en de nadere ontvankelijkheidscriteria, namelijk indien de collectieve vordering

  1. is ingesteld met een ideëel doel én een zeer beperkt financieel belang betreft of
  2. indien de aard van de vordering van de stichting of vereniging dan wel van de personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, daartoe aanleiding geeft.

De eerste uitzondering is helder: ideële collectieve vorderingen met een klein financieel belang. Die uitzondering lijkt vooral interessant als ze ruimhartig toegepast zal worden in het voordeel van ad hoc actiegroepen die opkomen voor milieu en samenleving. De tweede uitzondering is minder duidelijk, om niet te zeggen: volstrekt onduidelijk.  In elk geval is het niet de bedoeling, zo suggereert de MvT, dat claimcowboys alsnog toegelaten worden tot de 305a-actie.

En daarna een zware procedure

Nog voordat de rechter de ontvankelijkheid zoals hiervoor beschreven toetst, is er vermoedelijk al de nodige tijd verstreken. De 305a-eiser is namelijk verplicht de procesinleiding te laten aantekenen in een openbaar centraal register voor collectieve vorderingen.  Dan volgt in beginsel een periode van drie maanden; meldt zich binnen die periode een andere 305a-belangenbehartiger, dan moet op dat incident eerst worden beslist. De rechter toetst vermoedelijk daarna pas of de collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering. Dat doet de rechter onder meer door te toetsen aan een gemeenschappelijkheidseis en het aantal personen waar de zaak betrekking op heeft.

Als zich binnen de driemaandstermijn een ‘concurrerende’ organisatie meldt, dan volgt een procedure tot aanwijzing van de meest geschikte eiser. Die wordt dan benoemd tot Exclusieve Belangenbehartiger (hierna: EB). Dat doet denken aan de ‘lead plaintiff’ in de class action. Is er geen concurrentie, dan volgt aanwijzing van de enige organisatie die zich aandiende.

De EB treedt op voor de belangen van alle personen in de zogenoemde ‘nauw omschreven groep’. Dat is een door de rechter gedefinieerde groep van personen waar de collectieve vordering op ziet; die afbakening is van belang omdat de uitkomst in de procedure bindend is voor alle personen binnen die groep, behalve voor hen die gebruik hebben gemaakt van hun opt-out recht.

Personen die behoren tot de door de rechter gedefinieerde ‘nauw omschreven groep’ hebben de mogelijkheid tot opt-out binnen een door de rechter bepaalde termijn, te rekenen vanaf het moment van aankondiging van de aanwijzing van de EB.  De uitstappers mogen hooguit alleen nog individueel naar de rechter stappen. Na aanwijzing van de EB zal de rechtbank dan trachten partijen te bewegen tot een schikking.  Lukt dat niet, dan zal de vordering op haar merites worden beoordeeld. De uitkomst van de procedure, wat deze ook moge zijn, is voor alle procespartijen bindend en ook voor de leden van de ‘nauw omschreven groep’ die niet tijdig uitstapten.

Fundament art. 305a verandert dus

Het voordeel van wetsvoorstel 34 608 is dat onwillige schadeveroorzakers gedwongen kunnen worden om aan een collectieve schadeafwikkeling mee te werken. Maar de wijze waarop het wetsvoorstel alle collectieve vorderingen over één kam scheert, is te zwaar geschut voor ‘gewone’ collectieve verbods- en gebodsacties en verklaring voor recht-procedures.

De introductie van art. 3:305a BW in 1994 beoogde de bestaande rechtspraak op de ontvankelijkheid van belangenorganisaties te codificeren en hun positie te verduidelijken.  In een lijn van rechtspraak die eraan vooraf ging, had de Hoge Raad namelijk belangenorganisaties ontvankelijk verklaard in verbods- en gebodsacties waarin zij opkwamen voor concrete vermogensbelangen óf meer abstracte of ideële belangen zoals natuur, leefomgeving, gelijke behandeling, mensenrechten et cetera.  Voor deze beide vormen van burgerlijke belangen konden organisaties – mits voldoende representatief – in rechte opkomen. De introductie van art. 3:305a BW bestendigde deze praktijk: zolang maar belangen van burgers – abstract of concreet – in het spel zijn, kan art. 3:305a BW toepassing vinden.

Het wetsvoorstel breekt met deze lijn. De regering stelt dat de aanvullende eisen die in het wetsvoorstel aan 305a-organisaties worden gesteld, gerechtvaardigd zijn juist omdat deze organisaties EB kunnen worden. Die toegenomen verantwoordelijkheid vergt dat de organisatie kwalitatief aan de maat is, aldus de regering. En dat geldt ook als ‘slechts’ een verbod, gebod of verklaring voor recht wordt gevraagd. Je weet immers nooit of er daarna niet alsnog schadevergoeding gevorderd gaat worden, aldus in essentie de Regering.  Ook weegt mee dat als er geen EB wordt aangewezen, er nog steeds een veelheid van claimanten kan opstaan.  We vragen ons overigens af of dat werkelijk problematisch is bij gewone’ collectieve verbods- en gebodsacties en verklaring voor recht-procedures (bij WCAM-procedures blijkt het soms problematisch, maar de WCAM verandert het wetsvoorstel nu juist niet).

Onder het huidige art. 305a worden “gelijksoortige belangen van andere personen” ruim genomen: het maakt per saldo niet uit of Bewonersvereniging Havenstraat een verbod vordert ten behoeve van de bewoners van de Havenstraat tegen een bedrijf dat verkeersoverlast geeft of dat Stichting Urgenda een gebodsactie jegens de Staat instelt om klimaatmaatregelen te treffen ten behoeve van ons nageslacht.

Onder de nieuwe versie van art. 3:305a BW zal die gelijkstelling van vermogensrechtelijke en de meer ideële burgerlijke belangen gaan wringen. De nieuwe regeling lijkt namelijk niet goed te passen op gevallen waarin de behartiging van meer abstracte belangen van personen zoals in de Urgenda-zaak aan de orde is.  De hoge ontvankelijkheidseisen passen niet (en daar kan dan dus goeddeels van worden afgeweken als de rechter daar zin in heeft), maar ook de stappen die in het proces moeten worden gezet, passen niet. Voor 305a-acties die niet over schadevergoeding gaan, is het lang niet altijd logisch of mogelijk om een ‘nauw omschreven groep’ te bepalen of om een schikking te beproeven, en al helemaal niet om het gezag van gewijsde te laten gelden voor ‘toekomstige generaties’ of ‘alle inwoners van Nederland die van natuur houden’ die niet van een opt-out recht gebruik hebben gemaakt.

If it ain’t broke, don’t try to fix it

Als het klopt dat het huidige art. 3:305a BW redelijk werkt voor verbods- en gebodsacties en verklaring voor recht-acties, waarom gaan we dan sleutelen aan art. 3:305a BW voor die acties? Dat ligt helemaal niet voor de hand. Het huidige artikel is simpel: de uitspraak heeft geen gezag van gewijsde dat verder gaat dan de procespartijen en er gaat van een veroordelend vonnis dus met name een informeel gezag van gewijsde uit. Dat werkt toch behoorlijk? Onder het nieuwe stelsel leidt de afwijzing van een dergelijke 305a-vordering tot gezag van gewijsde ten nadele van al diegenen die niet zijn uitgestapt. Dat kan natuurlijk niet kloppen als het bijvoorbeeld om de belangen van toekomstige generaties gaat. Alleen daarom al lijkt het noodzakelijk om vast te stellen dat het nieuwe art. 3:305a BW niet langer geldt voor ideële burgerlijke belangen en dat voor die belangen de oude rechtspraak van vóór 1994 weer van stal gehaald moet worden.

De behoefte aan zwaardere eisen voor claimorganisaties die uit het wetsvoorstel spreekt, gaat helemaal niet over de buurtvereniging die tegen een gemeente een verbodsactie instelt en evenmin de computergebruikersclub die rectificatie eist van een pc-leverancier. Waarom dan toch hoge drempels qua ontvankelijkheid (tenzij de rechter anders beslist) en een ingewikkelde vervolgprocedure die helemaal niet relevant hoeft te zijn? Wat is het nut van het beproeven van een schikking die getoetst en bindend verklaard wordt als de inzet alleen maar is de vraag of er onrechtmatig is gehandeld tegenover de achterban en of rectificatie geëist kan worden? Waarom moeten we drie maanden wachten en een EB aanwijzen om een antwoord te krijgen op de vraag of een reclame misleidend is tegenover de gemiddelde consument? De ontvankelijkheidsdrempels en de zwaar opgetuigde procedure zijn niet nodig en niet geschikt en zijn dus té zwaar geschut voor ‘gewone’ 305a-acties.

dicke_bertha-big_bertha

Zwaar geschut