Tag Archives: Civilologie

Tien jaar civilologie: hoe ver staan de luiken open?

 

door Ivo Giesen en Willem van Boom

Zo’n 10 jaar geleden werd de ‘civilologie’ in Nederland geïntroduceerd als een verzamelterm voor rechtsgeleerd onderzoek en onderwijs naar de interactie tussen empirie en privaatrecht. Nu, een decennium later, rijst de vraag wat er terecht gekomen is van die beweging. Wij onderzochten en beschreven de omgang met de civilologie in een artikel voor de Belgische bundel “Privaatrecht in Actie!” (W.H. van Boom & I. Giesen, Tien jaar civilologie: hoe ver staan de luiken open? in: J. Baeck (red.), Privaatrecht in Actie!, die Keure: Brugge 2018, p. 13-46). Wat zijn de hoofdlijnen uit die bijdrage? Dat presenteren wij u graag in deze Blogpost.

 

Inleiding

De empirische bestudering van het recht vindt plaats onder verschillende noemers en binnen uiteenlopende disciplines. Soms is sprake van heuse scholen, met kenmerkende opvattingen over methodologie en gebiedsafbakening, zoals bij rechtssociologie, rechtspsychologie, rechtsantropologie, en rechtseconomie het geval is. Vaak ook is slechts sprake van een noemer, waaronder nogal uiteenlopende onderzoekslijnen te vinden zijn. Zo heeft ‘Empirical Legal Studies’ (ook: ELS) vooral het gebruik van kwantitatieve methoden gemeen en is voor sommigen de kern van ‘Socio-legal Studies’ juist het gebruik van kwalitatieve methoden.

Vanuit de juridische discipline bezien is de empirische bestudering van het recht in veel opzichten weinig opzienbarend. Criminologie heeft een vaste plek in veel rechtenfaculteiten verworven en in menig rechtenfaculteit zal men bijvoorbeeld (rechts)economen met een empirische agenda aantreffen. Buiten de criminologie en rechtssociologie staat de empirische bestudering van het recht – en dan met name ook van het privaatrecht – echter nog in de kinderschoenen. De aandacht voor de empirische bestudering van het recht is in Nederland evenwel aan het groeien. Zo werd onlangs de landelijke evaluatie van het juridisch onderzoek aan de rechtenfaculteiten afgerond; in de verschillende evaluatierapporten werden links en rechts complimenten uitgedeeld aan onderzoeksinspanningen op dat vlak. Daarnaast zijn er de laatste jaren informele samenwerkingsinitiatieven en kennisplatforms ontstaan; zelfs de Raad van Decanen van de rechtenfaculteiten lijken te bewegen in de ‘empirische richting’.

De empirische bestudering van het recht is uiteraard niet van gisteren op vandaag ontstaan, maar had al een ruime geschiedenis achter de rug toen wij in 2008 (samen met Albert Verheij) een impuls wilden geven aan de empirische bestudering van het privaatrecht met de bundel ‘Gedrag en Privaatrecht’. In 2013 werd een herziene en uitgebreide tweede druk daarvan uitgebracht onder de titel ‘Capita Civilologie: handboek empirie en privaatrecht’, dit maal in een heuse boekenreeks. We doopten ons initiatief ‘civilologie’, bedoeld als geuzennaam, doch inmiddels ook wel gebruikt als verzamelterm voor alle vormen van interactie tussen empirie en privaatrecht. Wat in onze beleving vooral nieuw was aan ons initiatief, was dat die interactie met empirie vooral uitging van positiefrechtelijk georiënteerde en opgeleide onderzoekers; ongebonden als wij waren en zijn aan welke empirische school dan ook, hebben we vooral de luiken voor ons eigen onderwijs en onderzoek willen openzetten.

https://repub.eur.nl/pub/41417

Capita Civilologie (2013)

Sinds 2008 is er het nodige gebeurd. Zo bracht het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie, eind 2011 een bijzonder nummer uit over ‘law and…’ bewegingen, onder gastredactie van Vranken & Van Dijck. Er werden oraties gehouden door hoogleraren in het privaatrecht waarin empirie niet werd geschuwd, en er werden diverse proefschriften verdedigd in het privaatrechtelijke domein waar verschillende empirische elementen in waren verwerkt. En zo is er nog veel meer te melden.

 

Onze bevindingen

Gegeven deze ontwikkelingen leek het ons nuttig om tien jaar na de bundel ‘Gedrag en Privaatrecht’ terug te blikken en onze indrukken van hetgeen achter ons ligt, op schrift te stellen. Wat is er in het tijdvak 2008-2018 binnen het Nederlandse privaatrecht aan empirische wetenschap beschikbaar gekomen? Zijn de luiken ook bij anderen open gegaan, en zo ja, hoe ver dan? En als we op de oogst van tien jaar mogen reflecteren, is hetgeen wat er nu gebeurt aan ‘empirie en privaatrecht’, inhoudelijk en methodologisch aan de maat? Heeft het nut en toegevoegde waarde? En kunnen onze gebruikelijke publicatiefora ermee uit de voeten?

In ons artikel presenteren we een staalkaart van tijdschriftartikelen, verdelen we ze onder in categorieën en stellen we vragen bij de gebruikte methode en gevonden resultaten. Als we de tien jaar samenvatten, dan kunnen we goed nieuws en minder goed nieuws brengen. Het goede nieuws is dat er veel mooi onderzoek is gedaan en zinvolle bijdragen aan de civilologie zijn verschenen. Het minder goede nieuws is dat er naast het vele mooie dat gebeurt, de afgelopen jaren ook wel wat ontwikkelingen zijn te bespeuren waar meer kritische kanttekeningen bij te plaatsen zijn. Ons voornaamste zorgpunt is dat sommige civilisten soms maar wat aanrommelen, te brede conclusies trekken en te weinig bij de harde resultaten van de empirie blijven, te weinig zelf onderzoeken, zich te veel laten verleiden door de sociale wetenschappen, of de empirie te veel gebruiken als retorisch instrument en te weinig als waarde in zichzelf. Als dat zo zou zijn en de kwaliteit van de (juridische) uitkomsten daarmee ter discussie zou komen te staan, is een waarschuwing op zijn plaats. De geloofwaardigheid van het gebruik van empirie in het privaatrecht gaat ons aan het hart. Liever entameren we dus een open discussie over de toegevoegde waarde van die empirie en hoe die wordt gehanteerd door civilisten, dan om over pakweg tien jaar te moeten constateren dat het een doodlopend pad is gebleken omdat er fouten zijn gemaakt. We nodigen iedereen uit om ons artikel te lezen en dan zijn eigen oordeel te vormen.

 

De richting voor het jaar 2028

De gekozen methode en de verantwoording van de gemaakte keuzes zijn sleutelbegrippen. Het is wezenlijk voor elk civilologisch artikel dat de daarin gebruikte methode goed doordacht, besproken, bekritiseerd, nogmaals doordacht, en vervolgens gedegen en transparant verantwoord wordt; zonder dat halen we 2028 niet als civilologen. Maar als dit goed wordt opgepakt, is 2028 opeens geen stipje op een verre, verre horizon meer, maar zeer nabij, gegeven de hiervoor geconstateerde rugwind. Wij zouden het dan bijvoorbeeld ook toejuichen als er een civilologische standaard voor openbaarmaking van primaire data zou ontstaan de komende jaren. Bijvoorbeeld het neerleggen van die data in een openbaar repositorium, zodat anderen desgewenst de analyses kunnen repliceren. Veel komt bij dit alles neer op logisch nadenken (wat wil de lezer weten?) en bij twijfel duidelijk maken wat er is gedaan en waarom de keuze zo gemaakt is. Ja, dat geeft ruis op de lijn (het onderbreekt het betoog) maar dat is qua vormgeving op te lossen, vaak al door alle methodologie apart te zetten in een beginparagraaf, of in voetnoten, en desnoods door die overwegingen als apart bijlage bij te voegen. Er kan heel veel, ook hier, als het maar transparant is.

Kijken we vervolgens naar de overzijde, het publicatieforum, als het over verantwoording gaat, dan zouden ook de juridische tijdschriften die transparantie moeten betrachten. Dat vergt dat tijdschriftredacties, in hun redactiestatuut of elders, expliciet aangeven hoe zij met civilologische bijdragen wensen om te gaan: zijn die welkom? En zo ja, wat is dan de procedure van beoordeling, wijkt die af van wat gebruikelijk is bij gewone privaatrechtelijke bijdragen, en zo ja, hoe dan? Dat schept helderheid voor auteurs en voor de lezers. Als we daartoe overgaan, dan kan het civilologische onderzoek gepubliceerd worden waar het wat ons betreft thuis hoort, in de juridische vakbladen.

 

Vier voorspellingen

Wat staat ons te wachten in 2028? We wagen ons hier aan een enkele voorspelling. Bijvoorbeeld deze dat naarmate de luiken verder open komen te staan en civilisten vertrouwder raken met het verwerken van civilologisch onderzoek en misschien zelfs zélf verrichten van empirisch, het waarschijnlijker is dat zij zélf zullen participeren (opzetten en uitvoeren) in empirisch onderzoek. We voorspellen daarachteraan meteen ook dat een hieraan gerelateerde mogelijke aanwas van kopij, niet tot een eigen civilologisch tijdschrift zal gaan leiden; dat roept immers te zeer het gevaar op dat de civilologie losgezongen raakt van de praktijk van het privaatrecht, en de problemen die daar spelen en om een maatschappelijke aanvaardbare en juridisch-dogmatisch passende oplossing vragen. Maar allicht is dat dan weer eerder een wens dan een voorspelling.

We zouden ons tevens, ten derde, kunnen voorstellen dat de studies straks ook verfijnder worden, niet zozeer in de zin van allerlei statistische ‘hocus pocus’ maar in de zin van de opzet van de studies. We zouden ons bijvoorbeeld kunnen voorstellen dat meer gebruik zal worden gemaakt van ‘triangulatie’, dat is het onderzoeken van een vraag met verschillende meetinstrumenten zodat kan worden bekeken of de gevonden resultaten elkaar aanvullen of juist tegenspreken. Dus bijvoorbeeld een experiment of enquête, gevolgd door focusgroepen of interviews.

We voorspellen tot slot dat het privaatrechtelijk onderwijs zal volgen. Als er meer, of althans op bestendige(r) wijze, civilologisch gedacht en onderzocht gaat worden, dan zal het privaatrechtelijke onderwijs vanzelf ook in meer of mindere mate daarvan doordrenkt worden. Niet dat we dan het Haviltex-arrest niet meer bespreken en uitleggen tijdens college, maar wel in die zin dat het dogmatische onderwijs aangevuld wordt met inzichten uit de empirische werkelijkheid. En zo wordt de civilologie dan uiteindelijk meer dan een openstaand luik, en veeleer een tweede natuur voor de ‘gewone’ privatist, zodat de civilologie als subdiscipline dusdanig geïncorporeerd raakt in dat privaatrecht dat het zichzelf overbodig maakt. Maar daarmee belanden we diep in een vijfde voorspelling (of: wens) en is het waarschijnlijk al ver voorbij 2028…

 

Willem van Boom en Ivo Giesen

[Deze Blog verschijnt gelijktijdig via de Ucall Blog en de persoonlijke blog van Willem van Boom. Het betreft een sterk verkorte en aangepaste versie van W.H. van Boom & I. Giesen, ‘Tien jaar civilologie: hoe ver staan de luiken open?’, in: J. Baeck (red.), Privaatrecht in Actie!, Brugge: die Keure 2018, p. 13-46]